KETUVIM
Psalmen 95
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
לְ֭כוּ נְרַנְּנָ֣ה לַ/יהוָ֑ה נָ֝רִ֗יעָה לְ/צ֣וּר יִשְׁעֵֽ/נוּ׃
STATEN
Komt, laat ons den HEERE vrolijk zingen; laat ons juichen den Rotssteen onzes heils.
נְקַדְּמָ֣ה פָנָ֣י/ו בְּ/תוֹדָ֑ה בִּ֝/זְמִר֗וֹת נָרִ֥יעַֽ לֽ/וֹ׃
STATEN
Laat ons Zijn aangezicht tegemoet gaan met lof; laat ons Hem juichen met psalmen.
כִּ֤י אֵ֣ל גָּד֣וֹל יְהוָ֑ה וּ/מֶ֥לֶךְ גָּ֝ד֗וֹל עַל כָּל אֱלֹהִֽים־־׃
STATEN
Want de HEERE is een groot God; ja, een groot Koning boven alle goden;
אֲשֶׁ֣ר בְּ֭/יָד/וֹ מֶחְקְרֵי אָ֑רֶץ וְ/תוֹעֲפ֖וֹת הָרִ֣ים לֽ/וֹ־׃
STATEN
In Wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn Zijne;
אֲשֶׁר ל֣/וֹ הַ֭/יָּם וְ/ה֣וּא עָשָׂ֑/הוּ וְ֝/יַבֶּ֗שֶׁת יָדָ֥י/ו יָצָֽרוּ־׃
STATEN
Wiens ook de zee is, want Hij heeft ze gemaakt; en Zijn handen hebben het droge geformeerd.
בֹּ֭אוּ נִשְׁתַּחֲוֶ֣ה וְ/נִכְרָ֑עָה נִ֝בְרְכָ֗ה לִֽ/פְנֵי יְהוָ֥ה עֹשֵֽׂ/נוּ־׃
STATEN
Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft.
כִּ֘י ה֤וּא אֱלֹהֵ֗י/נוּ וַ/אֲנַ֤חְנוּ עַ֣ם מַ֭רְעִית/וֹ וְ/צֹ֣אן יָד֑/וֹ הַ֝/יּ֗וֹם אִֽם בְּ/קֹל֥/וֹ תִשְׁמָֽעוּ־׃
STATEN
Want Hij is onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort,
אַל תַּקְשׁ֣וּ לְ֭בַבְ/כֶם כִּ/מְרִיבָ֑ה כְּ/י֥וֹם מַ֝סָּ֗ה בַּ/מִּדְבָּֽר־׃
STATEN
Verhardt uw hart niet, gelijk te Meríba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn;
אֲשֶׁ֣ר נִ֭סּוּ/נִי אֲבוֹתֵי/כֶ֑ם בְּ֝חָנ֗וּ/נִי גַּם רָא֥וּ פָעֳלִֽ/י־׃
STATEN
Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.
אַרְבָּ֘עִ֤ים שָׁנָ֨ה אָ֘ק֤וּט בְּ/ד֗וֹר וָ/אֹמַ֗ר עַ֤ם תֹּעֵ֣י לֵבָ֣ב הֵ֑ם וְ֝/הֵ֗ם לֹא יָדְע֥וּ דְרָכָֽ/י׀־׃
STATEN
Veertig jaren heb Ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet.
אֲשֶׁר נִשְׁבַּ֥עְתִּי בְ/אַפִּ֑/י אִם יְ֝בֹא֗וּ/ן אֶל מְנוּחָתִֽ/י־־־׃
STATEN
Daarom heb Ik in Mijn toorn gezworen: Zo zij in Mijn rust zullen ingaan!