KETUVIM

Psalmen 137

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
עַ֥ל נַהֲר֨וֹת בָּבֶ֗ל שָׁ֣ם יָ֭שַׁבְנוּ גַּם בָּכִ֑ינוּ בְּ֝/זָכְרֵ֗/נוּ אֶת צִיּֽוֹן
STATEN

Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.

2
עַֽל עֲרָבִ֥ים בְּ/תוֹכָ֑/הּ תָּ֝לִ֗ינוּ כִּנֹּרוֹתֵֽי/נוּ
STATEN

Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen, die daarin zijn.

3
כִּ֤י שָׁ֨ם שְֽׁאֵל֪וּ/נוּ שׁוֹבֵ֡י/נוּ דִּבְרֵי שִׁ֭יר וְ/תוֹלָלֵ֣י/נוּ שִׂמְחָ֑ה שִׁ֥ירוּ לָ֝֗/נוּ מִ/שִּׁ֥יר צִיּֽוֹן
STATEN

Als zij, die ons aldaar gevangen hielden, de woorden eens lieds van ons begeerden, en zij, die ons overhoop geworpen hadden, vreugd, zeggende: Zingt ons een van de liederen Sions;

4
אֵ֗יךְ נָשִׁ֥יר אֶת שִׁיר יְהוָ֑ה עַ֝֗ל אַדְמַ֥ת נֵכָֽר
STATEN

Wij zeiden: Hoe zouden wij een lied des HEEREN zingen in een vreemd land?

5
אִֽם אֶשְׁכָּחֵ֥/ךְ יְֽרוּשָׁלִָ֗ם תִּשְׁכַּ֥ח יְמִינִֽ/י
STATEN

Indien ik u vergeet, o Jeruzalem! zo vergete mijn rechterhand zichzelve!

6
תִּדְבַּ֥ק לְשׁוֹנִ֨/י לְ/חִכִּ/י֮ אִם לֹ֪א אֶ֫זְכְּרֵ֥/כִי אִם לֹ֣א אַ֭עֲלֶה אֶת יְרוּשָׁלִַ֑ם עַ֝֗ל רֹ֣אשׁ שִׂמְחָתִֽ/י
STATEN

Mijn tong kleve aan mijn gehemelte, zo ik aan u niet gedenke, zo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap!

7
זְכֹ֤ר יְהוָ֨ה לִ/בְנֵ֬י אֱד֗וֹם אֵת֮ י֤וֹם יְֽרוּשָׁ֫לִָ֥ם הָ֭/אֹ֣מְרִים עָ֤רוּ עָ֑רוּ עַ֝֗ד הַ/יְס֥וֹד בָּֽ/הּ
STATEN

HEERE! gedenk aan de kinderen van Edom, aan den dag van Jeruzalem; die daar zeiden: Ontbloot ze, ontbloot ze, tot haar fondament toe!

8
בַּת בָּבֶ֗ל הַ/שְּׁד֫וּדָ֥ה אַשְׁרֵ֥י שֶׁ/יְשַׁלֶּם לָ֑/ךְ אֶת גְּ֝מוּלֵ֗/ךְ שֶׁ/גָּמַ֥לְתְּ לָֽ/נוּ
STATEN

O dochter van Babel! die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn, die u uw misdaad vergelden zal, die gij aan ons misdaan hebt.

9
אַשְׁרֵ֤י שֶׁ/יֹּאחֵ֓ז וְ/נִפֵּ֬ץ אֶֽת עֹ֝לָלַ֗יִ/ךְ אֶל הַ/סָּֽלַע
STATEN

Welgelukzalig zal hij zijn, die uw kinderkens grijpen, en aan de steenrots verpletteren zal.