KETUVIM
Psalmen 58
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
לַ/מְנַצֵּ֥חַ אַל תַּשְׁחֵ֗ת לְ/דָוִ֥ד מִכְתָּֽם־׃
STATEN
Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altáscheth.
הַֽ/אֻמְנָ֗ם אֵ֣לֶם צֶ֭דֶק תְּדַבֵּר֑וּ/ן מֵישָׁרִ֥ים תִּ֝שְׁפְּט֗וּ בְּנֵ֣י אָדָֽם׃
STATEN
Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij mensenkinderen?
אַף בְּ/לֵב֮ עוֹלֹ֪ת תִּפְעָ֫ל֥וּ/ן בָּ/אָ֡רֶץ חֲמַ֥ס יְ֝דֵי/כֶ֗ם תְּפַלֵּֽסֽוּ/ן־׃
STATEN
Ja, gij werkt ongerechtigheden in het hart; gij weegt het geweld uwer handen op de aarde.
זֹ֣רוּ רְשָׁעִ֣ים מֵ/רָ֑חֶם תָּע֥וּ מִ֝/בֶּ֗טֶן דֹּבְרֵ֥י כָזָֽב׃
STATEN
De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van moeders buik aan.
חֲמַת לָ֗/מוֹ כִּ/דְמ֥וּת חֲמַת נָחָ֑שׁ כְּמוֹ פֶ֥תֶן חֵ֝רֵ֗שׁ יַאְטֵ֥ם אָזְנֽ/וֹ־־־׃
STATEN
Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt;
אֲשֶׁ֣ר לֹא יִ֭שְׁמַע לְ/ק֣וֹל מְלַחֲשִׁ֑ים חוֹבֵ֖ר חֲבָרִ֣ים מְחֻכָּֽם־׃
STATEN
Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan.
אֱֽלֹהִ֗ים הֲרָס שִׁנֵּ֥י/מוֹ בְּ/פִ֑י/מוֹ מַלְתְּע֥וֹת כְּ֝פִירִ֗ים נְתֹ֣ץ יְהוָֽה־׀׃
STATEN
O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE!
חִ֝צָּ֗י/ו יִמָּאֲס֣וּ כְמוֹ מַ֭יִם יִתְהַלְּכוּ לָ֑/מוֹ יִדְרֹ֥ךְ חצ/ו כְּמ֣וֹ יִתְמֹלָֽלוּ־־׃
STATEN
Laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren.
כְּמ֣וֹ שַׁ֭בְּלוּל תֶּ֣מֶס יַהֲלֹ֑ךְ נֵ֥פֶל אֵ֝֗שֶׁת בַּל חָ֥זוּ שָֽׁמֶשׁ־׃
STATEN
Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, als ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen.
בְּ/טֶ֤רֶם יָבִ֣ינוּ סִּֽירֹתֵי/כֶ֣ם אָטָ֑ד כְּמוֹ חַ֥י כְּמוֹ חָ֝ר֗וֹן יִשְׂעָרֶֽ/נּוּ־־׃
STATEN
Eer dan uw potten den doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen.
יִשְׂמַ֣ח צַ֭דִּיק כִּי חָזָ֣ה נָקָ֑ם פְּעָמָ֥י/ו יִ֝רְחַ֗ץ בְּ/דַ֣ם הָ/רָשָֽׁע־׃
STATEN
De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen.
וְ/יֹאמַ֣ר אָ֭דָם אַךְ פְּרִ֣י לַ/צַּדִּ֑יק אַ֥ךְ יֵשׁ אֱ֝לֹהִ֗ים שֹׁפְטִ֥ים בָּ/אָֽרֶץ־־׃
STATEN
En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt.