KETUVIM

Psalmen 124

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
שִׁ֥יר הַֽ/מַּעֲל֗וֹת לְ/דָ֫וִ֥ד לוּלֵ֣י יְ֭הוָה שֶׁ/הָ֣יָה לָ֑/נוּ יֹֽאמַר נָ֝א יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Een lied Hammaälôth, van David. Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, zegge nu Israël,

2
לוּלֵ֣י יְ֭הוָה שֶׁ/הָ֣יָה לָ֑/נוּ בְּ/ק֖וּם עָלֵ֣י/נוּ אָדָֽם
STATEN

Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden;

3
אֲ֭זַי חַיִּ֣ים בְּלָע֑וּ/נוּ בַּ/חֲר֖וֹת אַפָּ֣/ם בָּֽ/נוּ
STATEN

Toen zouden zij ons levend verslonden hebben, als hun toorn tegen ons ontstak.

4
אֲ֭זַי הַ/מַּ֣יִם שְׁטָפ֑וּ/נוּ נַ֗֜חְלָ/ה עָבַ֥ר עַל נַפְשֵֽׁ/נוּ
STATEN

Toen zouden ons de wateren overlopen hebben; een stroom zou over onze ziel gegaan zijn.

5
אֲ֭זַי עָבַ֣ר עַל נַפְשֵׁ֑/נוּ הַ֝/מַּ֗יִם הַ/זֵּֽידוֹנִֽים
STATEN

Toen zouden de stoute wateren over onze ziel gegaan zijn.

6
בָּר֥וּךְ יְהוָ֑ה שֶׁ/לֹּ֥א נְתָנָ֥/נוּ טֶ֝֗רֶף לְ/שִׁנֵּי/הֶֽם
STATEN

De HEERE zij geloofd, Die ons in hun tanden niet heeft overgegeven tot een roof.

7
נַפְשֵׁ֗/נוּ כְּ/צִפּ֥וֹר נִמְלְטָה֮ מִ/פַּ֪ח י֫וֹקְשִׁ֥ים הַ/פַּ֥ח נִשְׁבָּ֗ר וַ/אֲנַ֥חְנוּ נִמְלָֽטְנוּ
STATEN

Onze ziel is ontkomen, als een vogel uit den strik der vogelvangers; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.

8
עֶ֭זְרֵ/נוּ בְּ/שֵׁ֣ם יְהוָ֑ה עֹ֝שֵׂ֗ה שָׁמַ֥יִם וָ/אָֽרֶץ
STATEN

Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.