KETUVIM

Psalmen 139

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ֭/מְנַצֵּחַ לְ/דָוִ֣ד מִזְמ֑וֹר יְהוָ֥ה חֲ֝קַרְתַּ֗/נִי וַ/תֵּדָֽע
STATEN

Een psalm van David, voor den opperzangmeester. HEERE! Gij doorgrondt en kent mij.

2
אַתָּ֣ה יָ֭דַעְתָּ שִׁבְתִּ֣/י וְ/קוּמִ֑/י בַּ֥נְתָּה לְ֝/רֵעִ֗/י מֵ/רָחֽוֹק
STATEN

Gij weet mijn zitten en mijn opstaan; Gij verstaat van verre mijn gedachten.

3
אָרְחִ֣/י וְ/רִבְעִ֣/י זֵרִ֑יתָ וְֽ/כָל דְּרָכַ֥/י הִסְכַּֽנְתָּה
STATEN

Gij omringt mijn gaan en mijn liggen; en Gij zijt al mijn wegen gewend.

4
כִּ֤י אֵ֣ין מִ֭לָּה בִּ/לְשׁוֹנִ֑/י הֵ֥ן יְ֝הוָ֗ה יָדַ֥עְתָּ כֻלָּֽ/הּ
STATEN

Als er nog geen woord op mijn tong is, zie, HEERE! Gij weet het alles.

5
אָח֣וֹר וָ/קֶ֣דֶם צַרְתָּ֑/נִי וַ/תָּ֖שֶׁת עָלַ֣/י כַּפֶּֽ/כָה
STATEN

Gij bezet mij van achteren en van voren, en Gij zet Uw hand op mij.

6
פלאיה דַ֣עַת מִמֶּ֑/נִּי נִ֝שְׂגְּבָ֗ה לֹא א֥וּכַֽל לָֽ/הּ פְּלִ֣יאָֽה
STATEN

De kennis is mij te wonderbaar, zij is hoog, ik kan er niet bij.

7
אָ֭נָ֥ה אֵלֵ֣ךְ מֵ/רוּחֶ֑/ךָ וְ֝/אָ֗נָה מִ/פָּנֶ֥י/ךָ אֶבְרָֽח
STATEN

Waar zou ik heengaan voor Uw Geest en waar zou ik heenvlieden voor Uw aangezicht?

8
אִם אֶסַּ֣ק שָׁ֭מַיִם שָׁ֣ם אָ֑תָּה וְ/אַצִּ֖יעָה שְּׁא֣וֹל הִנֶּֽ/ךָּ
STATEN

Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar.

9
אֶשָּׂ֥א כַנְפֵי שָׁ֑חַר אֶ֝שְׁכְּנָ֗ה בְּ/אַחֲרִ֥ית יָֽם
STATEN

Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee;

10
גַּם שָׁ֭ם יָדְ/ךָ֣ תַנְחֵ֑/נִי וְֽ/תֹאחֲזֵ֥/נִי יְמִינֶֽ/ךָ
STATEN

Ook dáár zou Uw hand mij geleiden, en Uw rechterhand zou mij houden.

11
וָ֭/אֹמַר אַךְ חֹ֣שֶׁךְ יְשׁוּפֵ֑/נִי וְ֝/לַ֗יְלָה א֣וֹר בַּעֲדֵֽ/נִי
STATEN

Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken; dan is de nacht een licht om mij.

12
גַּם חֹשֶׁךְ֮ לֹֽא יַחְשִׁ֪יךְ מִ֫מֶּ֥/ךָ וְ֭/לַיְלָה כַּ/יּ֣וֹם יָאִ֑יר כַּ֝/חֲשֵׁיכָ֗ה כָּ/אוֹרָֽה
STATEN

Ook verduistert de duisternis voor U niet; maar de nacht licht als de dag; de duisternis is als het licht.

13
כִּֽי אַ֭תָּה קָנִ֣יתָ כִלְיֹתָ֑/י תְּ֝סֻכֵּ֗/נִי בְּ/בֶ֣טֶן אִמִּֽ/י
STATEN

Want Gij bezit mijn nieren; Gij hebt mij in mijner moeders buik bedekt.

14
אֽוֹדְ/ךָ֗ עַ֤ל כִּ֥י נוֹרָא֗וֹת נִ֫פְלֵ֥יתִי נִפְלָאִ֥ים מַעֲשֶׂ֑י/ךָ וְ֝/נַפְשִׁ֗/י יֹדַ֥עַת מְאֹֽד
STATEN

Ik loof U, omdat ik op een heel vreselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn Uw werken, ook weet het mijn ziel zeer wel.

15
לֹא נִכְחַ֥ד עָצְמִ֗/י מִ֫מֶּ֥/ךָּ אֲשֶׁר עֻשֵּׂ֥יתִי בַ/סֵּ֑תֶר רֻ֝קַּ֗מְתִּי בְּֽ/תַחְתִּיּ֥וֹת אָֽרֶץ
STATEN

Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben, in de nederste delen der aarde.

16
גָּלְמִ֤/י רָ֘א֤וּ עֵינֶ֗י/ךָ וְ/עַֽל סִפְרְ/ךָ֮ כֻּלָּ֪/ם יִכָּ֫תֵ֥בוּ יָמִ֥ים יֻצָּ֑רוּ ו/לא אֶחָ֣ד בָּ/הֶֽם וְ/ל֖/וֹ
STATEN

Uw ogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was.

17
וְ/לִ֗/י מַה יָּקְר֣וּ רֵעֶ֣י/ךָ אֵ֑ל מֶ֥ה עָ֝צְמוּ רָאשֵׁי/הֶֽם
STATEN

Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, Uw gedachten! hoe machtig veel zijn haar sommen!

18
אֶ֭סְפְּרֵ/ם מֵ/ח֣וֹל יִרְבּ֑וּ/ן הֱ֝קִיצֹ֗תִי וְ/עוֹדִ֥/י עִמָּֽ/ךְ
STATEN

Zoude ik ze tellen? Harer is meer, dan des zands; word ik wakker, zo ben ik nog bij U.

19
אִם תִּקְטֹ֖ל אֱל֥וֹהַּ רָשָׁ֑ע וְ/אַנְשֵׁ֥י דָ֝מִ֗ים ס֣וּרוּ מֶֽ/נִּי
STATEN

O God! dat Gij den goddeloze ombracht! en gij, mannen des bloeds, wijkt van mij!

20
אֲשֶׁ֣ר יֹ֭אמְרֻ/ךָ לִ/מְזִמָּ֑ה נָשֻׂ֖א לַ/שָּׁ֣וְא עָרֶֽי/ךָ
STATEN

Die van U schandelijk spreken, en Uw vijanden ijdellijk verheffen.

21
הֲ/לֽוֹא מְשַׂנְאֶ֖י/ךָ יְהוָ֥ה אֶשְׂנָ֑א וּ֝/בִ/תְקוֹמְמֶ֗י/ךָ אֶתְקוֹטָֽט
STATEN

Zou ik niet haten, HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?

22
תַּכְלִ֣ית שִׂנְאָ֣ה שְׂנֵאתִ֑י/ם לְ֝/אוֹיְבִ֗ים הָ֣יוּ לִֽ/י
STATEN

Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.

23
חָקְרֵ֣/נִי אֵ֭ל וְ/דַ֣ע לְבָבִ֑/י בְּ֝חָנֵ֗/נִי וְ/דַ֣ע שַׂרְעַפָּֽ/י
STATEN

Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart; beproef mij, en ken mijn gedachten.

24
וּ/רְאֵ֗ה אִם דֶּֽרֶךְ עֹ֥צֶב בִּ֑/י וּ֝/נְחֵ֗/נִי בְּ/דֶ֣רֶךְ עוֹלָֽם
STATEN

En zie, of bij mij een schadelijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg.