KETUVIM

Psalmen 90

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
תְּפִלָּה֮ לְ/מֹשֶׁ֪ה אִֽישׁ הָ/אֱלֹ֫הִ֥ים אֲֽדֹנָ֗/י מָע֣וֹן אַ֭תָּה הָיִ֥יתָ לָּ֗/נוּ בְּ/דֹ֣ר וָ/דֹֽר
STATEN

Een gebed van Mozes, den man Gods. Heere! Gij zijt ons geweest een Toevlucht van geslacht tot geslacht.

2
בְּ/טֶ֤רֶם הָ֘רִ֤ים יֻלָּ֗דוּ וַ/תְּח֣וֹלֵֽל אֶ֣רֶץ וְ/תֵבֵ֑ל וּֽ/מֵ/עוֹלָ֥ם עַד ע֝וֹלָ֗ם אַתָּ֥ה אֵֽל
STATEN

Eer de bergen geboren waren, en Gij de aarde en de wereld voortgebracht hadt, ja, van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt Gij God.

3
תָּשֵׁ֣ב אֱ֭נוֹשׁ עַד דַּכָּ֑א וַ֝/תֹּ֗אמֶר שׁ֣וּבוּ בְנֵי אָדָֽם
STATEN

Gij doet den mens wederkeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij mensenkinderen!

4
כִּ֤י אֶ֪לֶף שָׁנִ֡ים בְּֽ/עֵינֶ֗י/ךָ כְּ/י֣וֹם אֶ֭תְמוֹל כִּ֣י יַעֲבֹ֑ר וְ/אַשְׁמוּרָ֥ה בַ/לָּֽיְלָה
STATEN

Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als een nachtwaak.

5
זְ֭רַמְתָּ/ם שֵׁנָ֣ה יִהְי֑וּ בַּ֝/בֹּ֗קֶר כֶּ/חָצִ֥יר יַחֲלֹֽף
STATEN

Gij overstroomt hen; zij zijn gelijk een slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras, dat verandert;

6
בַּ֭/בֹּקֶר יָצִ֣יץ וְ/חָלָ֑ף לָ֝/עֶ֗רֶב יְמוֹלֵ֥ל וְ/יָבֵֽשׁ
STATEN

In den morgenstond bloeit het, en het verandert; des avonds wordt het afgesneden, en het verdort.

7
כִּֽי כָלִ֥ינוּ בְ/אַפֶּ֑/ךָ וּֽ/בַ/חֲמָתְ/ךָ֥ נִבְהָֽלְנוּ
STATEN

Want wij vergaan door Uw toorn; en door Uw grimmigheid worden wij verschrikt.

8
שת עֲוֺנֹתֵ֣י/נוּ לְ/נֶגְדֶּ֑/ךָ עֲ֝לֻמֵ֗/נוּ לִ/מְא֥וֹר פָּנֶֽי/ךָ שַׁתָּ֣ה
STATEN

Gij stelt onze ongerechtigheden voor U, onze heimelijke zonden in het licht Uws aanschijns.

9
כִּ֣י כָל יָ֭מֵי/נוּ פָּנ֣וּ בְ/עֶבְרָתֶ֑/ךָ כִּלִּ֖ינוּ שָׁנֵ֣י/נוּ כְמוֹ הֶֽגֶה
STATEN

Want al onze dagen gaan henen door Uw verbolgenheid; wij brengen onze jaren door als een gedachte.

10
יְמֵֽי שְׁנוֹתֵ֨י/נוּ בָ/הֶ֥ם שִׁבְעִ֪ים שָׁנָ֡ה וְ/אִ֤ם בִּ/גְבוּרֹ֨ת שְׁמ֘וֹנִ֤ים שָׁנָ֗ה וְ֭/רָהְבָּ/ם עָמָ֣ל וָ/אָ֑וֶן כִּי גָ֥ז חִ֝֗ישׁ וַ/נָּעֻֽפָ/ה
STATEN

Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of, zo wij zeer sterk zijn, tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarheen.

11
מִֽי י֭וֹדֵעַ עֹ֣ז אַפֶּ֑/ךָ וּ֝/כְ/יִרְאָתְ/ךָ֗ עֶבְרָתֶֽ/ךָ
STATEN

Wie kent de sterkte Uws toorns, en Uw verbolgenheid, naardat Gij te vrezen zijt?

12
לִ/מְנ֣וֹת יָ֭מֵי/נוּ כֵּ֣ן הוֹדַ֑ע וְ֝/נָבִ֗א לְבַ֣ב חָכְמָֽה
STATEN

Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen.

13
שׁוּבָ֣/ה יְ֭הוָה עַד מָתָ֑י וְ֝/הִנָּחֵ֗ם עַל עֲבָדֶֽי/ךָ
STATEN

Keer weder, HEERE! tot hoe lange? en het berouwe U over Uw knechten.

14
שַׂבְּעֵ֣/נוּ בַ/בֹּ֣קֶר חַסְדֶּ֑/ךָ וּֽ/נְרַנְּנָ֥ה וְ֝/נִשְׂמְחָ֗ה בְּ/כָל יָמֵֽי/נוּ
STATEN

Verzadig ons in den morgenstond met Uw goedertierenheid, zo zullen wij juichen, en verblijd zijn in al onze dagen.

15
שַׂ֭מְּחֵ/נוּ כִּ/ימ֣וֹת עִנִּיתָ֑/נוּ שְׁ֝נ֗וֹת רָאִ֥ינוּ רָעָֽה
STATEN

Verblijd ons naar de dagen, in dewelke Gij ons gedrukt hebt, naar de jaren, in dewelke wij het kwaad gezien hebben.

16
יֵרָאֶ֣ה אֶל עֲבָדֶ֣י/ךָ פָעֳלֶ֑/ךָ וַ֝/הֲדָרְ/ךָ֗ עַל בְּנֵי/הֶֽם
STATEN

Laat Uw werk aan Uw knechten gezien worden, en Uw heerlijkheid over hun kinderen.

17
וִ/יהִ֤י נֹ֤עַם אֲדֹנָ֥/י אֱלֹהֵ֗י/נוּ עָ֫לֵ֥י/נוּ וּ/מַעֲשֵׂ֣ה יָ֭דֵי/נוּ כּוֹנְנָ֥/ה עָלֵ֑י/נוּ וּֽ/מַעֲשֵׂ֥ה יָ֝דֵ֗י/נוּ כּוֹנְנֵֽ/הוּ
STATEN

En de liefelijkheid des HEEREN, onzes Gods; zij over ons; en bevestig Gij het werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.