KETUVIM
Psalmen 104
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
בָּרֲכִ֥י נַפְשִׁ֗/י אֶת יְה֫וָ֥ה יְהוָ֣ה אֱ֭לֹהַ/י גָּדַ֣לְתָּ מְּאֹ֑ד ה֭וֹד וְ/הָדָ֣ר לָבָֽשְׁתָּ־׃
STATEN
Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.
עֹֽטֶה א֭וֹר כַּ/שַּׂלְמָ֑ה נוֹטֶ֥ה שָׁ֝מַ֗יִם כַּ/יְרִיעָֽה־׃
STATEN
Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.
הַ֥/מְקָרֶֽה בַ/מַּ֗יִם עֲֽלִיּ֫וֹתָ֥י/ו הַ/שָּׂם עָבִ֥ים רְכוּב֑/וֹ הַֽ֝/מְהַלֵּ֗ךְ עַל כַּנְפֵי רֽוּחַ־־־׃
STATEN
Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.
עֹשֶׂ֣ה מַלְאָכָ֣י/ו רוּח֑וֹת מְ֝שָׁרְתָ֗י/ו אֵ֣שׁ לֹהֵֽט׃
STATEN
Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.
יָֽסַד אֶ֭רֶץ עַל מְכוֹנֶ֑י/הָ בַּל תִּ֝מּ֗וֹט עוֹלָ֥ם וָ/עֶֽד־־־׃
STATEN
Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.
תְּ֭הוֹם כַּ/לְּב֣וּשׁ כִּסִּית֑/וֹ עַל הָ֝רִ֗ים יַֽעַמְדוּ מָֽיִם־־׃
STATEN
Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.
מִן גַּעֲרָ֣תְ/ךָ֣ יְנוּס֑וּ/ן מִן ק֥וֹל רַֽ֝עַמְ/ךָ֗ יֵחָפֵזֽוּ/ן־־׃
STATEN
Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.
יַעֲל֣וּ הָ֭רִים יֵרְד֣וּ בְקָע֑וֹת אֶל מְ֝ק֗וֹם זֶ֤ה יָסַ֬דְתָּ לָ/הֶֽם־׀׃
STATEN
De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.
גְּֽבוּל שַׂ֭מְתָּ בַּל יַֽעֲבֹר֑וּ/ן בַּל יְ֝שׁוּב֗וּ/ן לְ/כַסּ֥וֹת הָ/אָֽרֶץ־־־׃
STATEN
Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.
הַֽ/מְשַׁלֵּ֣חַ מַ֭עְיָנִים בַּ/נְּחָלִ֑ים בֵּ֥ין הָ֝רִ֗ים יְהַלֵּכֽוּ/ן׃
STATEN
Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.
יַ֭שְׁקוּ כָּל חַיְת֣/וֹ שָׂדָ֑י יִשְׁבְּר֖וּ פְרָאִ֣ים צְמָאָֽ/ם־׃
STATEN
Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.
עֲ֭לֵי/הֶם עוֹף הַ/שָּׁמַ֣יִם יִשְׁכּ֑וֹן מִ/בֵּ֥ין עֳ֝פָאיִ֗ם יִתְּנוּ קֽוֹל־־׃
STATEN
Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.