Ga naar inhoud
KETUVIM

Psalmen 104

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150151
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
בָּרֲכִ֥י נַפְשִׁ֗/י אֶת יְה֫וָ֥ה יְהוָ֣ה אֱ֭לֹהַ/י גָּדַ֣לְתָּ מְּאֹ֑ד ה֭וֹד וְ/הָדָ֣ר לָבָֽשְׁתָּ־׃
STATEN

Loof den HEERE, mijn ziel! O HEERE, mijn God! Gij zijt zeer groot, Gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.

2
עֹֽטֶה א֭וֹר כַּ/שַּׂלְמָ֑ה נוֹטֶ֥ה שָׁ֝מַ֗יִם כַּ/יְרִיעָֽה־׃
STATEN

Hij bedekt Zich met het licht, als met een kleed; Hij rekt den hemel uit als een gordijn.

3
הַ֥/מְקָרֶֽה בַ/מַּ֗יִם עֲֽלִיּ֫וֹתָ֥י/ו הַ/שָּׂם עָבִ֥ים רְכוּב֑/וֹ הַֽ֝/מְהַלֵּ֗ךְ עַל כַּנְפֵי רֽוּחַ־־־׃
STATEN

Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.

4
עֹשֶׂ֣ה מַלְאָכָ֣י/ו רוּח֑וֹת מְ֝שָׁרְתָ֗י/ו אֵ֣שׁ לֹהֵֽט׃
STATEN

Hij maakt Zijn engelen geesten, Zijn dienaars tot een vlammend vuur.

5
יָֽסַד אֶ֭רֶץ עַל מְכוֹנֶ֑י/הָ בַּל תִּ֝מּ֗וֹט עוֹלָ֥ם וָ/עֶֽד־־־׃
STATEN

Hij heeft de aarde gegrond op haar grondvesten; zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.

6
תְּ֭הוֹם כַּ/לְּב֣וּשׁ כִּסִּית֑/וֹ עַל הָ֝רִ֗ים יַֽעַמְדוּ מָֽיִם־־׃
STATEN

Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.

7
מִן גַּעֲרָ֣תְ/ךָ֣ יְנוּס֑וּ/ן מִן ק֥וֹל רַֽ֝עַמְ/ךָ֗ יֵחָפֵזֽוּ/ן־־׃
STATEN

Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders.

8
יַעֲל֣וּ הָ֭רִים יֵרְד֣וּ בְקָע֑וֹת אֶל מְ֝ק֗וֹם זֶ֤ה יָסַ֬דְתָּ לָ/הֶֽם־׀׃
STATEN

De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.

9
גְּֽבוּל שַׂ֭מְתָּ בַּל יַֽעֲבֹר֑וּ/ן בַּל יְ֝שׁוּב֗וּ/ן לְ/כַסּ֥וֹת הָ/אָֽרֶץ־־־׃
STATEN

Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.

10
הַֽ/מְשַׁלֵּ֣חַ מַ֭עְיָנִים בַּ/נְּחָלִ֑ים בֵּ֥ין הָ֝רִ֗ים יְהַלֵּכֽוּ/ן׃
STATEN

Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.

11
יַ֭שְׁקוּ כָּל חַיְת֣/וֹ שָׂדָ֑י יִשְׁבְּר֖וּ פְרָאִ֣ים צְמָאָֽ/ם־׃
STATEN

Zij drenken al het gedierte des velds; de woudezels breken er hun dorst mede.

12
עֲ֭לֵי/הֶם עוֹף הַ/שָּׁמַ֣יִם יִשְׁכּ֑וֹן מִ/בֵּ֥ין עֳ֝פָאיִ֗ם יִתְּנוּ קֽוֹל־־׃
STATEN

Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stem gevende van tussen de takken.

Op De Naamdragers

Blogs over Psalmen 104

Nog geen artikelen die specifiek naar Psalmen 104 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →