KETUVIM

Psalmen 89

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
מַ֝שְׂכִּ֗יל לְ/אֵיתָ֥ן הָֽ/אֶזְרָחִֽי
STATEN

Een onderwijzing van Ethan, den Ezrahiet.

2
חַֽסְדֵ֣י יְ֭הוָה עוֹלָ֣ם אָשִׁ֑ירָה לְ/דֹ֥ר וָ/דֹ֓ר אוֹדִ֖יעַ אֱמוּנָתְ/ךָ֣ בְּ/פִֽ/י
STATEN

Ik zal de goedertierenheid des HEEREN eeuwiglijk zingen; ik zal Uw waarheid met mijn mond bekend maken, van geslacht tot geslacht.

3
כִּֽי אָמַ֗רְתִּי ע֭וֹלָם חֶ֣סֶד יִבָּנֶ֑ה שָׁמַ֓יִם תָּכִ֖ן אֱמוּנָתְ/ךָ֣ בָ/הֶֽם
STATEN

Want ik heb gezegd: Uw goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden; in de hemelen zelve hebt Gij Uw waarheid bevestigd, zeggende:

4
כָּרַ֣תִּֽי בְ֭רִית לִ/בְחִירִ֑/י נִ֝שְׁבַּ֗עְתִּי לְ/דָוִ֥ד עַבְדִּֽ/י
STATEN

Ik heb een verbond gemaakt met Mijn uitverkorene; Ik heb Mijn knecht David gezworen:

5
עַד ע֭וֹלָם אָכִ֣ין זַרְעֶ֑/ךָ וּ/בָנִ֨יתִי לְ/דֹר וָ/ד֖וֹר כִּסְאֲ/ךָ֣ סֶֽלָה
STATEN

Ik zal uw zaad tot in eeuwigheid bevestigen, en uw troon opbouwen van geslacht tot geslacht. Sela.

6
וְ/י֘וֹד֤וּ שָׁמַ֣יִם פִּלְאֲ/ךָ֣ יְהוָ֑ה אַף אֱ֝מֽוּנָתְ/ךָ֗ בִּ/קְהַ֥ל קְדֹשִֽׁים
STATEN

Dies loven de hemelen Uw wonderen, o HEERE! ook is Uw getrouwheid in de gemeente der heiligen.

7
כִּ֤י מִ֣י בַ֭/שַּׁחַק יַעֲרֹ֣ךְ לַ/יהוָ֑ה יִדְמֶ֥ה לַ֝/יהוָ֗ה בִּ/בְנֵ֥י אֵלִים
STATEN

Want wie mag in den hemel tegen den HEERE geschat worden? Wie is den HEERE gelijk, onder de kinderen der sterken?

8
אֵ֣ל נַ֭עֲרָץ בְּ/סוֹד קְדֹשִׁ֣ים רַבָּ֑ה וְ֝/נוֹרָ֗א עַל כָּל סְבִיבָֽי/ו
STATEN

God is grotelijks geducht in den raad der heiligen, en vreselijk boven allen, die rondom Hem zijn.

9
יְהוָ֤ה אֱלֹ֘הֵ֤י צְבָא֗וֹת מִֽי כָֽמ֖וֹ/ךָ חֲסִ֥ין יָ֑הּ וֶ֝/אֱמֽוּנָתְ/ךָ֗ סְבִיבוֹתֶֽי/ךָ
STATEN

O HEERE, God der heirscharen! wie is als Gij, grootmachtig, o HEERE! en Uw getrouwheid is rondom U.

10
אַתָּ֣ה מ֭וֹשֵׁל בְּ/גֵא֣וּת הַ/יָּ֑ם בְּ/שׂ֥וֹא גַ֝לָּ֗י/ו אַתָּ֥ה תְשַׁבְּחֵֽ/ם
STATEN

Gij heerst over de opgeblazenheid der zee; wanneer haar baren zich verheffen, zo stilt Gij ze.

11
אַתָּ֤ה דִכִּ֣אתָ כֶ/חָלָ֣ל רָ֑הַב בִּ/זְר֥וֹעַ עֻ֝זְּ/ךָ֗ פִּזַּ֥רְתָּ אוֹיְבֶֽי/ךָ
STATEN

Gij hebt Rahab verbrijzeld als een verslagene; Gij hebt Uw vijanden verstrooid met den arm Uwer sterkte.

12
לְ/ךָ֣ שָׁ֭מַיִם אַף לְ/ךָ֥ אָ֑רֶץ תֵּבֵ֥ל וּ֝/מְלֹאָ֗/הּ אַתָּ֥ה יְסַדְתָּֽ/ם
STATEN

De hemel is Uwe, ook is de aarde Uwe; de wereld en haar volheid, die hebt Gij gegrond.

13
צָפ֣וֹן וְ֭/יָמִין אַתָּ֣ה בְרָאתָ֑/ם תָּב֥וֹר וְ֝/חֶרְמ֗וֹן בְּ/שִׁמְ/ךָ֥ יְרַנֵּֽנוּ
STATEN

Het noorden en het zuiden, die hebt Gij geschapen; Thabor en Hermon juichen in Uw Naam.

14
לְ/ךָ֣ זְ֭רוֹעַ עִם גְּבוּרָ֑ה תָּעֹ֥ז יָ֝דְ/ךָ֗ תָּר֥וּם יְמִינֶֽ/ךָ
STATEN

Gij hebt een arm met macht; Uw hand is sterk, Uw rechterhand is hoog.

15
צֶ֣דֶק וּ֭/מִשְׁפָּט מְכ֣וֹן כִּסְאֶ֑/ךָ חֶ֥סֶד וֶ֝/אֱמֶ֗ת יְֽקַדְּמ֥וּ פָנֶֽי/ךָ
STATEN

Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid Uws troons; goedertierenheid en waarheid gaan voor Uw aanschijn henen.

16
אַשְׁרֵ֣י הָ֭/עָם יוֹדְעֵ֣י תְרוּעָ֑ה יְ֝הוָ֗ה בְּֽ/אוֹר פָּנֶ֥י/ךָ יְהַלֵּכֽוּ/ן
STATEN

Welgelukzalig is het volk, hetwelk het geklank kent; o HEERE! zij zullen in het licht Uws aanschijns wandelen.

17
בְּ֭/שִׁמְ/ךָ יְגִיל֣וּ/ן כָּל הַ/יּ֑וֹם וּ/בְ/צִדְקָתְ/ךָ֥ יָרֽוּמוּ
STATEN

Zij zullen zich den gansen dag verheugen in Uw Naam, en door Uw gerechtigheid verhoogd worden.

18
תָּר֥וּם כִּֽי תִפְאֶ֣רֶת עֻזָּ֣/מוֹ אָ֑תָּה וּ֝/בִ/רְצֹנְ/ךָ֗ תרים קַרְנֵֽ/נוּ
STATEN

Want Gij zijt de heerlijkheid hunner sterkte; en door Uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden.

19
כִּ֣י לַֽ֭/יהוָה מָֽגִנֵּ֑/נוּ וְ/לִ/קְד֖וֹשׁ יִשְׂרָאֵ֣ל מַלְכֵּֽ/נוּ
STATEN

Want ons schild is van den HEERE, en onze koning is van den Heilige Israëls.

20
אָ֤ז דִּבַּ֥רְתָּֽ בְ/חָ֡זוֹן לַֽ/חֲסִידֶ֗י/ךָ וַ/תֹּ֗אמֶר שִׁוִּ֣יתִי עֵ֭זֶר עַל גִּבּ֑וֹר הֲרִימ֖וֹתִי בָח֣וּר מֵ/עָֽם
STATEN

Toen hebt Gij in een gezicht gesproken van Uw heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij een held; Ik heb een verkorene uit het volk verhoogd.

21
מָ֭צָאתִי דָּוִ֣ד עַבְדִּ֑/י בְּ/שֶׁ֖מֶן קָדְשִׁ֣/י מְשַׁחְתִּֽי/ו
STATEN

Ik heb David, Mijn knecht, gevonden; met Mijn heilige olie heb Ik hem gezalfd;

22
אֲשֶׁ֣ר יָ֭דִ/י תִּכּ֣וֹן עִמּ֑/וֹ אַף זְרוֹעִ֥/י תְאַמְּצֶֽ/נּוּ
STATEN

Met welken Mijn hand vast blijven zal; ook zal hem Mijn arm versterken.

23
לֹֽא יַשִּׁ֣א אוֹיֵ֣ב בּ֑/וֹ וּ/בֶן עַ֝וְלָ֗ה לֹ֣א יְעַנֶּֽ/נּוּ
STATEN

De vijand zal hem niet dringen, en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken.

24
וְ/כַתּוֹתִ֣י מִ/פָּנָ֣י/ו צָרָ֑י/ו וּ/מְשַׂנְאָ֥י/ו אֶגּֽוֹף
STATEN

Maar Ik zal zijn wederpartijders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten, zal Ik plagen.

25
וֶֽ/אֶֽמוּנָתִ֣/י וְ/חַסְדִּ֣/י עִמּ֑/וֹ וּ֝/בִ/שְׁמִ֗/י תָּר֥וּם קַרְנֽ/וֹ
STATEN

En Mijn getrouwheid en Mijn goedertierenheid zullen met hem zijn; en zijn hoorn zal in Mijn Naam verhoogd worden.

26
וְ/שַׂמְתִּ֣י בַ/יָּ֣ם יָד֑/וֹ וּֽ/בַ/נְּהָר֥וֹת יְמִינֽ/וֹ
STATEN

En Ik zal zijn hand in de zee zetten, en zijn rechterhand in de rivieren.

27
ה֣וּא יִ֭קְרָאֵ/נִי אָ֣בִ/י אָ֑תָּה אֵ֝לִ֗/י וְ/צ֣וּר יְשׁוּעָתִֽ/י
STATEN

Hij zal Mij noemen: Gij zijt mijn Vader! mijn God, en de Rotssteen mijns heils!

28
אַף אָ֭נִי בְּכ֣וֹר אֶתְּנֵ֑/הוּ עֶ֝לְי֗וֹן לְ/מַלְכֵי אָֽרֶץ
STATEN

Ook zal Ik hem ten eerstgeborenen zoon stellen, ten hoogste over de koningen der aarde.

29
אֶשְׁמָר לְ֭/עוֹלָ֗ם אשמור ל֣/וֹ חַסְדִּ֑/י וּ֝/בְרִיתִ֗/י נֶאֱמֶ֥נֶת לֽ/וֹ
STATEN

Ik zal hem Mijn goedertierenheid in eeuwigheid houden, en Mijn verbond zal hem vast blijven.

30
וְ/שַׂמְתִּ֣י לָ/עַ֣ד זַרְע֑/וֹ וְ֝/כִסְא֗/וֹ כִּ/ימֵ֥י שָׁמָֽיִם
STATEN

En Ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijn troon als de dagen der hemelen.

31
אִם יַֽעַזְב֣וּ בָ֭נָי/ו תּוֹרָתִ֑/י וּ֝/בְ/מִשְׁפָּטַ֗/י לֹ֣א יֵלֵכֽוּ/ן
STATEN

Indien zijn kinderen Mijn wet verlaten, en in Mijn rechten niet wandelen;

32
אִם חֻקֹּתַ֥/י יְחַלֵּ֑לוּ וּ֝/מִצְוֺתַ֗/י לֹ֣א יִשְׁמֹֽרוּ
STATEN

Indien zij Mijn inzettingen ontheiligen, en Mijn geboden niet houden;

33
וּ/פָקַדְתִּ֣י בְ/שֵׁ֣בֶט פִּשְׁעָ֑/ם וּ/בִ/נְגָעִ֥ים עֲוֺנָֽ/ם
STATEN

Zo zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen.

34
וְ֭/חַסְדִּ/י לֹֽא אָפִ֣יר מֵֽ/עִמּ֑/וֹ וְ/לֹֽא אֲ֝שַׁקֵּ֗ר בֶּ/אֱמוּנָתִֽ/י
STATEN

Maar Mijn goedertierenheid zal Ik van hem niet wegnemen, en in Mijn getrouwheid niet feilen.

35
לֹא אֲחַלֵּ֥ל בְּרִיתִ֑/י וּ/מוֹצָ֥א שְׂ֝פָתַ֗/י לֹ֣א אֲשַׁנֶּֽה
STATEN

Ik zal Mijn verbond niet ontheiligen, en hetgeen uit Mijn lippen gegaan is, zal Ik niet veranderen.

36
אַ֭חַת נִשְׁבַּ֣עְתִּי בְ/קָדְשִׁ֑/י אִֽם לְ/דָוִ֥ד אֲכַזֵּֽב
STATEN

Ik heb ééns gezworen bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege!

37
זַ֭רְע/וֹ לְ/עוֹלָ֣ם יִהְיֶ֑ה וְ/כִסְא֖/וֹ כַ/שֶּׁ֣מֶשׁ נֶגְדִּֽ/י
STATEN

Zijn zaad zal in der eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon.

38
כְּ֭/יָרֵחַ יִכּ֣וֹן עוֹלָ֑ם וְ/עֵ֥ד בַּ֝/שַּׁ֗חַק נֶאֱמָ֥ן סֶֽלָה
STATEN

Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden, gelijk de maan; en de getuige in den hemel is getrouw. Sela.

39
וְ/אַתָּ֣ה זָ֭נַחְתָּ וַ/תִּמְאָ֑ס הִ֝תְעַבַּ֗רְתָּ עִם מְשִׁיחֶֽ/ךָ
STATEN

Maar Gij hebt hem verstoten en verworpen; Gij zijt verbolgen geworden tegen Uw gezalfde.

40
נֵ֭אַרְתָּה בְּרִ֣ית עַבְדֶּ֑/ךָ חִלַּ֖לְתָּ לָ/אָ֣רֶץ נִזְרֽ/וֹ
STATEN

Gij hebt het verbond Uws knechts te niet gedaan; Gij hebt zijn kroon ontheiligd tegen de aarde.

41
פָּרַ֥צְתָּ כָל גְּדֵרֹתָ֑י/ו שַׂ֖מְתָּ מִבְצָרָ֣י/ו מְחִתָּה
STATEN

Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.

42
שַׁ֭סֻּ/הוּ כָּל עֹ֣בְרֵי דָ֑רֶךְ הָיָ֥ה חֶ֝רְפָּ֗ה לִ/שְׁכֵנָֽי/ו
STATEN

Allen, die den weg voorbijgingen, hebben hem beroofd; zijn naburen is hij tot een smaad geweest.

43
הֲ֭רִימוֹתָ יְמִ֣ין צָרָ֑י/ו הִ֝שְׂמַ֗חְתָּ כָּל אוֹיְבָֽי/ו
STATEN

Gij hebt de rechterhand zijner wederpartijders verhoogd; Gij hebt al zijn vijanden verblijd.

44
אַף תָּ֭שִׁיב צ֣וּר חַרְבּ֑/וֹ וְ/לֹ֥א הֲ֝קֵימֹת֗/וֹ בַּ/מִּלְחָמָֽה
STATEN

Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en hebt hem niet staande gehouden in den strijd.

45
הִשְׁבַּ֥תָּ מִ/טְּהָר֑/וֹ וְ֝/כִסְא֗/וֹ לָ/אָ֥רֶץ מִגַּֽרְתָּה
STATEN

Gij hebt zijn schoonheid doen ophouden; en Gij hebt zijn troon ter aarde nedergestoten.

46
הִ֭קְצַרְתָּ יְמֵ֣י עֲלוּמָ֑י/ו הֶֽעֱטִ֨יתָ עָלָ֖י/ו בּוּשָׁ֣ה סֶֽלָה
STATEN

Gij hebt de dagen zijner jeugd verkort; Gij hebt hem met schaamte overdekt. Sela.

47
עַד מָ֣ה יְ֭הוָה תִּסָּתֵ֣ר לָ/נֶ֑צַח תִּבְעַ֖ר כְּמוֹ אֵ֣שׁ חֲמָתֶֽ/ךָ
STATEN

Hoe lang, o HEERE! zult Gij U steeds verbergen, zal Uw grimmigheid branden als een vuur?

48
זְכָר אֲנִ֥י מֶה חָ֑לֶד עַל מַה שָּׁ֝֗וְא בָּרָ֥אתָ כָל בְּנֵי אָדָֽם
STATEN

Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?

49
מִ֤י גֶ֣בֶר יִֽ֭חְיֶה וְ/לֹ֣א יִרְאֶה מָּ֑וֶת יְמַלֵּ֨ט נַפְשׁ֖/וֹ מִ/יַּד שְׁא֣וֹל סֶֽלָה
STATEN

Wat man leeft er, die den dood niet zien zal, die zijn ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela.

50
אַיֵּ֤ה חֲסָדֶ֖י/ךָ הָ/רִאשֹׁנִ֥ים אֲדֹנָ֑/י נִשְׁבַּ֥עְתָּ לְ֝/דָוִ֗ד בֶּ/אֱמוּנָתֶֽ/ךָ
STATEN

Heere! waar zijn Uw vorige goedertierenheden, die Gij David gezworen hebt bij Uw trouw?

51
זְכֹ֣ר אֲ֭דֹנָ/י חֶרְפַּ֣ת עֲבָדֶ֑י/ךָ שְׂאֵתִ֥/י בְ֝/חֵיקִ֗/י כָּל רַבִּ֥ים עַמִּֽים
STATEN

Gedenk, Heere! aan den smaad Uwer knechten, dien ik in mijn boezem draag, van alle grote volken.

52
אֲשֶׁ֤ר חֵרְפ֖וּ אוֹיְבֶ֥י/ךָ יְהוָ֑ה אֲשֶׁ֥ר חֵ֝רְפ֗וּ עִקְּב֥וֹת מְשִׁיחֶֽ/ךָ
STATEN

Waarmede, o HEERE! Uw vijanden smaden, waarmede zij de voetstappen Uws gezalfden smaden.

53
בָּר֖וּךְ יְהוָ֥ה לְ֝/עוֹלָ֗ם אָ֘מֵ֥ן וְ/אָמֵֽן
STATEN

Geloofd zij de HEERE in eeuwigheid! Amen, ja, amen.