KETUVIM
Psalmen 99
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
יְהוָ֣ה מָ֭לָךְ יִרְגְּז֣וּ עַמִּ֑ים יֹשֵׁ֥ב כְּ֝רוּבִ֗ים תָּנ֥וּט הָ/אָֽרֶץ׃
STATEN
De HEERE regeert, dat de volken beven; Hij zit tussen de cherubim; de aarde bewege zich.
יְ֭הוָה בְּ/צִיּ֣וֹן גָּד֑וֹל וְ/רָ֥ם ה֝֗וּא עַל כָּל הָֽ/עַמִּֽים־־׃
STATEN
De HEERE is groot in Sion, en Hij is hoog boven alle volken.
יוֹד֣וּ שִׁ֭מְ/ךָ גָּד֥וֹל וְ/נוֹרָ֗א קָד֥וֹשׁ הֽוּא׃
STATEN
Dat zij Uw groten en vreselijken Naam loven, die heilig is;
וְ/עֹ֥ז מֶלֶךְ֮ מִשְׁפָּ֪ט אָ֫הֵ֥ב אַ֭תָּה כּוֹנַ֣נְתָּ מֵישָׁרִ֑ים מִשְׁפָּ֥ט וּ֝/צְדָקָ֗ה בְּ/יַעֲקֹ֤ב אַתָּ֬ה עָשִֽׂיתָ׀׃
STATEN
En de sterkte des Konings, die het recht lief heeft. Gij hebt billijkheden bevestigd, Gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.
רֽוֹמְמ֡וּ יְה֘וָ֤ה אֱלֹהֵ֗י/נוּ וְֽ֭/הִשְׁתַּחֲווּ לַ/הֲדֹ֥ם רַגְלָ֗י/ו קָד֥וֹשׁ הֽוּא׃
STATEN
Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u neder voor de voetbank Zijner voeten; Hij is heilig!
מֹ֘שֶׁ֤ה וְ/אַהֲרֹ֨ן בְּֽ/כֹהֲנָ֗י/ו וּ֭/שְׁמוּאֵל בְּ/קֹרְאֵ֣י שְׁמ֑/וֹ קֹרִ֥אים אֶל יְ֝הוָ֗ה וְ/ה֣וּא יַעֲנֵֽ/ם׀־׃
STATEN
Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters, en Samuël onder de aanroepers Zijns Naams; zij riepen tot den HEERE, en Hij verhoorde hen.
בְּ/עַמּ֣וּד עָ֭נָן יְדַבֵּ֣ר אֲלֵי/הֶ֑ם שָׁמְר֥וּ עֵ֝דֹתָ֗י/ו וְ/חֹ֣ק נָֽתַן לָֽ/מוֹ־׃
STATEN
Hij sprak tot hen in een wolkkolom; zij hebben Zijn getuigenissen onderhouden, en de inzettingen, die Hij hun gegeven had.
יְהוָ֣ה אֱלֹהֵי/נוּ֮ אַתָּ֪ה עֲנִ֫יתָ֥/ם אֵ֣ל נֹ֭שֵׂא הָיִ֣יתָ לָ/הֶ֑ם וְ֝/נֹקֵ֗ם עַל עֲלִילוֹתָֽ/ם־׃
STATEN
O HEERE, onze God! Gij hebt hen verhoord, Gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wraak doende over hun daden.
רֽוֹמְמ֡וּ יְה֘וָ֤ה אֱלֹהֵ֗י/נוּ וְ֭/הִֽשְׁתַּחֲווּ לְ/הַ֣ר קָדְשׁ֑/וֹ כִּֽי קָ֝ד֗וֹשׁ יְהוָ֥ה אֱלֹהֵֽי/נוּ־׃
STATEN
Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u voor den berg Zijner heiligheid; want de HEERE, onze God, is heilig.