KETUVIM

Psalmen 102

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
תְּ֭פִלָּה לְ/עָנִ֣י כִֽי יַעֲטֹ֑ף וְ/לִ/פְנֵ֥י יְ֝הוָ֗ה יִשְׁפֹּ֥ךְ שִׂיחֽ/וֹ
STATEN

Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN.

2
יְ֭הוָה שִׁמְעָ֣/ה תְפִלָּתִ֑/י וְ֝/שַׁוְעָתִ֗/י אֵלֶ֥י/ךָ תָבֽוֹא
STATEN

O HEERE! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.

3
אַל תַּסְתֵּ֬ר פָּנֶ֨י/ךָ מִמֶּ/נִּי֮ בְּ/י֪וֹם צַ֫ר לִ֥/י הַטֵּֽה אֵלַ֥/י אָזְנֶ֑/ךָ בְּ/י֥וֹם אֶ֝קְרָ֗א מַהֵ֥ר עֲנֵֽ/נִי
STATEN

Verberg Uw aangezicht niet voor mij, neig Uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dage als ik roep, verhoor mij haastelijk.

4
כִּֽי כָל֣וּ בְ/עָשָׁ֣ן יָמָ֑/י וְ֝/עַצְמוֹתַ֗/י כְּ/מוֹ קֵ֥ד נִחָֽרוּ
STATEN

Want mijn dagen zijn vergaan als rook, en mijn gebeenten zijn uitgebrand als een haard.

5
הוּכָּֽה כָ֭/עֵשֶׂב וַ/יִּבַ֣שׁ לִבִּ֑/י כִּֽי שָׁ֝כַ֗חְתִּי מֵ/אֲכֹ֥ל לַחְמִֽ/י
STATEN

Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zodat ik vergeten heb mijn brood te eten.

6
מִ/קּ֥וֹל אַנְחָתִ֑/י דָּבְקָ֥ה עַ֝צְמִ֗/י לִ/בְשָׂרִֽ/י
STATEN

Mijn gebeente kleeft aan mijn vlees, vanwege de stem mijns zuchtens.

7
דָּ֭מִיתִי לִ/קְאַ֣ת מִדְבָּ֑ר הָ֝יִ֗יתִי כְּ/כ֣וֹס חֳרָבֽוֹת
STATEN

Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden, ik ben geworden als een steenuil der wildernissen.

8
שָׁקַ֥דְתִּי וָ/אֶֽהְיֶ֑ה כְּ֝/צִפּ֗וֹר בּוֹדֵ֥ד עַל גָּֽג
STATEN

Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.

9
כָּל הַ֭/יּוֹם חֵרְפ֣וּ/נִי אוֹיְבָ֑/י מְ֝הוֹלָלַ֗/י בִּ֣/י נִשְׁבָּֽעוּ
STATEN

Mijn vijanden smaden mij al den dag; die tegen mij razen, zweren bij mij.

10
כִּי אֵ֭פֶר כַּ/לֶּ֣חֶם אָכָ֑לְתִּי וְ֝/שִׁקֻּוַ֗/י בִּ/בְכִ֥י מָסָֽכְתִּי
STATEN

Want ik eet as als brood, en vermeng mijn drank met tranen.

11
מִ/פְּנֵֽי זַֽעַמְ/ךָ֥ וְ/קִצְפֶּ֑/ךָ כִּ֥י נְ֝שָׂאתַ֗/נִי וַ/תַּשְׁלִיכֵֽ/נִי
STATEN

Vanwege Uw verstoordheid en Uw groten toorn; want Gij hebt mij verheven, en mij weder nedergeworpen.

12
יָ֭מַ/י כְּ/צֵ֣ל נָט֑וּי וַ֝/אֲנִ֗י כָּ/עֵ֥שֶׂב אִיבָֽשׁ
STATEN

Mijn dagen zijn als een afgaande schaduw, en ik verdor als gras.

13
וְ/אַתָּ֣ה יְ֭הוָה לְ/עוֹלָ֣ם תֵּשֵׁ֑ב וְ֝/זִכְרְ/ךָ֗ לְ/דֹ֣ר וָ/דֹֽר
STATEN

Maar Gij, HEERE! blijft in eeuwigheid, en Uw gedachtenis van geslacht tot geslacht.

14
אַתָּ֣ה תָ֭קוּם תְּרַחֵ֣ם צִיּ֑וֹן כִּי עֵ֥ת לְ֝/חֶֽנְנָ֗/הּ כִּי בָ֥א מוֹעֵֽד
STATEN

Gij zult opstaan, Gij zult U ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.

15
כִּֽי רָצ֣וּ עֲ֭בָדֶי/ךָ אֶת אֲבָנֶ֑י/הָ וְֽ/אֶת עֲפָרָ֥/הּ יְחֹנֵֽנוּ
STATEN

Want Uw knechten hebben een welgevallen aan haar stenen, en hebben medelijden met haar gruis.

16
וְ/יִֽירְא֣וּ ג֭וֹיִם אֶת שֵׁ֣ם יְהוָ֑ה וְֽ/כָל מַלְכֵ֥י הָ֝/אָ֗רֶץ אֶת כְּבוֹדֶֽ/ךָ
STATEN

Dan zullen de heidenen den Naam des HEEREN vrezen, en alle koningen der aarde Uw heerlijkheid.

17
כִּֽי בָנָ֣ה יְהוָ֣ה צִיּ֑וֹן נִ֝רְאָ֗ה בִּ/כְבוֹדֽ/וֹ
STATEN

Als de HEERE Sion zal opgebouwd hebben, in Zijn heerlijkheid zal verschenen zijn,

18
פָּ֭נָה אֶל תְּפִלַּ֣ת הָ/עַרְעָ֑ר וְ/לֹֽא בָ֝זָ֗ה אֶת תְּפִלָּתָֽ/ם
STATEN

Zich gewend zal hebben tot het gebed desgenen, die gans ontbloot is, en niet versmaad hebben hunlieder gebed;

19
תִּכָּ֣תֶב זֹ֭את לְ/ד֣וֹר אַחֲר֑וֹן וְ/עַ֥ם נִ֝בְרָ֗א יְהַלֶּל יָֽהּ
STATEN

Dat zal beschreven worden voor het navolgende geslacht; en het volk, dat geschapen zal worden, zal den HEERE loven;

20
כִּֽי הִ֭שְׁקִיף מִ/מְּר֣וֹם קָדְשׁ֑/וֹ יְ֝הוָ֗ה מִ/שָּׁמַ֤יִם אֶל אֶ֬רֶץ הִבִּֽיט
STATEN

Omdat Hij uit de hoogte Zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien; dat de HEERE uit den hemel op de aarde geschouwd zal hebben;

21
לִ֭/שְׁמֹעַ אֶנְקַ֣ת אָסִ֑יר לְ֝/פַתֵּ֗חַ בְּנֵ֣י תְמוּתָֽה
STATEN

Om het zuchten der gevangenen te horen, om los te maken de kinderen des doods;

22
לְ/סַפֵּ֣ר בְּ֭/צִיּוֹן שֵׁ֣ם יְהוָ֑ה וּ֝/תְהִלָּת֗/וֹ בִּ/ירוּשָׁלִָֽם
STATEN

Opdat men den Naam des HEEREN vertelle te Sion, en Zijn lof te Jeruzalem;

23
בְּ/הִקָּבֵ֣ץ עַמִּ֣ים יַחְדָּ֑ו וּ֝/מַמְלָכ֗וֹת לַ/עֲבֹ֥ד אֶת יְהוָֽה
STATEN

Wanneer de volken samen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den HEERE te dienen.

24
כֹּחִ֗/י עִנָּ֖ה בַ/דֶּ֥רֶךְ כח/ו קִצַּ֥ר יָמָֽ/י
STATEN

Hij heeft mijn kracht op den weg ter neder gedrukt; mijn dagen heeft Hij verkort.

25
אֹמַ֗ר אֵלִ֗/י אַֽל תַּ֭עֲלֵ/נִי בַּ/חֲצִ֣י יָמָ֑/י בְּ/ד֖וֹר דּוֹרִ֣ים שְׁנוֹתֶֽי/ךָ
STATEN

Ik zeide: Mijn God! neem mij niet weg in het midden mijner dagen; Uw jaren zijn van geslacht tot geslacht.

26
לְ֭/פָנִים הָ/אָ֣רֶץ יָסַ֑דְתָּ וּֽ/מַעֲשֵׂ֖ה יָדֶ֣י/ךָ שָׁמָֽיִם
STATEN

Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk Uwer handen;

27
הֵ֤מָּה יֹאבֵדוּ֮ וְ/אַתָּ֪ה תַ֫עֲמֹ֥ד וְ֭/כֻלָּ/ם כַּ/בֶּ֣גֶד יִבְל֑וּ כַּ/לְּב֖וּשׁ תַּחֲלִיפֵ֣/ם וְֽ/יַחֲלֹֽפוּ
STATEN

Die zullen vergaan, maar Gij zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn.

28
וְ/אַתָּה ה֑וּא וּ֝/שְׁנוֹתֶ֗י/ךָ לֹ֣א יִתָּֽמּוּ
STATEN

Maar Gij zijt Dezelfde, en Uw jaren zullen niet geëindigd worden.

29
בְּנֵֽי עֲבָדֶ֥י/ךָ יִשְׁכּ֑וֹנוּ וְ֝/זַרְעָ֗/ם לְ/פָנֶ֥י/ךָ יִכּֽוֹן
STATEN

De kinderen Uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor Uw aangezicht bevestigd worden.