KETUVIM
Psalmen 64
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
לַ/מְנַצֵּ֗חַ מִזְמ֥וֹר לְ/דָוִֽד׃
STATEN
Een psalm van David, voor den opperzangmeester.
שְׁמַע אֱלֹהִ֣ים קוֹלִ֣/י בְ/שִׂיחִ֑/י מִ/פַּ֥חַד א֝וֹיֵ֗ב תִּצֹּ֥ר חַיָּֽ/י־׃
STATEN
Hoor, o God! mijn stem in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.
תַּ֭סְתִּירֵ/נִי מִ/סּ֣וֹד מְרֵעִ֑ים מֵ֝/רִגְשַׁ֗ת פֹּ֣עֲלֵי אָֽוֶן׃
STATEN
Verberg mij voor den heimelijken raad der boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid.
אֲשֶׁ֤ר שָׁנְנ֣וּ כַ/חֶ֣רֶב לְשׁוֹנָ֑/ם דָּרְכ֥וּ חִ֝צָּ֗/ם דָּבָ֥ר מָֽר׃
STATEN
Die hun tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hun pijl;
לִ/יר֣וֹת בַּ/מִּסְתָּרִ֣ים תָּ֑ם פִּתְאֹ֥ם יֹ֝רֻ֗/הוּ וְ/לֹ֣א יִירָֽאוּ׃
STATEN
Om in verborgen plaatsen den oprechte te schieten; haastig schieten zij naar hem, en vrezen niet.
יְחַזְּקוּ לָ֨/מוֹ דָּ֘בָ֤ר רָ֗ע יְֽ֭סַפְּרוּ לִ/טְמ֣וֹן מוֹקְשִׁ֑ים אָ֝מְר֗וּ מִ֣י יִרְאֶה לָּֽ/מוֹ־׀־׃
STATEN
Zij sterken zichzelven in een boze zaak; zij houden spraak van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien?
יַֽחְפְּֽשׂוּ עוֹלֹ֗ת תַּ֭מְנוּ חֵ֣פֶשׂ מְחֻפָּ֑שׂ וְ/קֶ֥רֶב אִ֝֗ישׁ וְ/לֵ֣ב עָמֹֽק־׃
STATEN
Zij doorzoeken allerlei schalkheid; ten uiterste doorzoeken zij, wat te doorzoeken is; zelfs het binnenste eens mans, en het diepe hart.
וַ/יֹּרֵ֗/ם אֱלֹ֫הִ֥ים חֵ֥ץ פִּתְא֑וֹם הָ֝י֗וּ מַכּוֹתָֽ/ם׃
STATEN
Maar God zal hen haastig met een pijl schieten; hun plagen zijn er.
וַ/יַּכְשִׁיל֣וּ/הוּ עָלֵ֣י/מוֹ לְשׁוֹנָ֑/ם יִ֝תְנֹדֲד֗וּ כָּל רֹ֥אֵה בָֽ/ם־׃
STATEN
En hun tong zal hen doen aanstoten tegen zichzelven; een ieder, die hen ziet, zal zich wegpakken.
וַ/יִּֽירְא֗וּ כָּל אָ֫דָ֥ם וַ֭/יַּגִּידוּ פֹּ֥עַל אֱלֹהִ֗ים וּֽ/מַעֲשֵׂ֥/הוּ הִשְׂכִּֽילוּ־׃
STATEN
En alle mensen zullen vrezen, en Gods werk verkondigen, en Zijn doen verstandelijk aanmerken.
יִשְׂמַ֬ח צַדִּ֣יק בַּ֭/יהוָה וְ/חָ֣סָה ב֑/וֹ וְ֝/יִתְהַֽלְל֗וּ כָּל יִשְׁרֵי לֵֽב־־׃
STATEN
De rechtvaardige zal zich verblijden in den HEERE, en op Hem betrouwen; en alle oprechten van hart zullen zich beroemen.