KETUVIM

Psalmen 18

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֤חַ לְ/עֶ֥בֶד יְהוָ֗ה לְ/דָ֫וִ֥ד אֲשֶׁ֤ר דִּבֶּ֨ר לַ/יהוָ֗ה אֶת דִּ֭בְרֵי הַ/שִּׁירָ֣ה הַ/זֹּ֑את בְּ/י֤וֹם הִֽצִּיל יְהוָ֘ה אוֹת֥/וֹ מִ/כַּ֥ף כָּל אֹ֝יְבָ֗י/ו וּ/מִ/יַּ֥ד שָׁאֽוּל
STATEN

Voor den opperzangmeester, een psalm van David, de knecht des HEEREN, die de woorden dezes lieds tot den HEERE gesproken heeft, ten dage, als hem de HEERE gered had uit de hand van al zijn vijanden, en uit de hand van Saul.

2
וַ/יֹּאמַ֡ר אֶרְחָמְ/ךָ֖ יְהוָ֣ה חִזְקִֽ/י
STATEN

Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!

3
יְהוָ֤ה סַֽלְעִ֥/י וּ/מְצוּדָתִ֗/י וּ/מְפַ֫לְטִ֥/י אֵלִ֣/י צ֭וּרִ/י אֶֽחֱסֶה בּ֑/וֹ מָֽגִנִּ֥/י וְ/קֶֽרֶן יִ֝שְׁעִ֗/י מִשְׂגַּבִּֽ/י
STATEN

De HEERE is mijn Steenrots, en mijn Burg, en mijn Uithelper; mijn God, mijn Rots, op Welken ik betrouw; mijn Schild, en de Hoorn mijns heils, mijn Hoog Vertrek.

4
מְ֭הֻלָּל אֶקְרָ֣א יְהוָ֑ה וּ/מִן אֹ֝יְבַ֗/י אִוָּשֵֽׁעַ
STATEN

Ik riep den HEERE aan, Die te prijzen is, en werd verlost van mijn vijanden.

5
אֲפָפ֥וּ/נִי חֶבְלֵי מָ֑וֶת וְֽ/נַחֲלֵ֖י בְלִיַּ֣עַל יְבַֽעֲתֽוּ/נִי
STATEN

Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.

6
חֶבְלֵ֣י שְׁא֣וֹל סְבָב֑וּ/נִי קִ֝דְּמ֗וּ/נִי מ֣וֹקְשֵׁי מָֽוֶת
STATEN

Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.

7
בַּ/צַּר לִ֤/י אֶֽקְרָ֣א יְהוָה֮ וְ/אֶל אֱלֹהַ֪/י אֲשַׁ֫וֵּ֥עַ יִשְׁמַ֣ע מֵ/הֵיכָל֣/וֹ קוֹלִ֑/י וְ֝/שַׁוְעָתִ֗/י לְ/פָנָ֤י/ו תָּב֬וֹא בְ/אָזְנָֽי/ו
STATEN

Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.

8
וַ/תִּגְעַ֬שׁ וַ/תִּרְעַ֨שׁ הָ/אָ֗רֶץ וּ/מוֹסְדֵ֣י הָרִ֣ים יִרְגָּ֑זוּ וַ֝/יִּתְגָּֽעֲשׁ֗וּ כִּי חָ֥רָה לֽ/וֹ
STATEN

Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.

9
עָ֘לָ֤ה עָשָׁ֨ן בְּ/אַפּ֗/וֹ וְ/אֵשׁ מִ/פִּ֥י/ו תֹּאכֵ֑ל גֶּ֝חָלִ֗ים בָּעֲר֥וּ מִמֶּֽ/נּוּ
STATEN

Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.

10
וַ/יֵּ֣ט שָׁ֭מַיִם וַ/יֵּרַ֑ד וַ֝/עֲרָפֶ֗ל תַּ֣חַת רַגְלָֽי/ו
STATEN

En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.

11
וַ/יִּרְכַּ֣ב עַל כְּ֭רוּב וַ/יָּעֹ֑ף וַ֝/יֵּ֗דֶא עַל כַּנְפֵי רֽוּחַ
STATEN

En Hij voer op een cherub, en vloog; ja, Hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.

12
יָ֤שֶׁת חֹ֨שֶׁךְ סִתְר֗/וֹ סְבִֽיבוֹתָ֥י/ו סֻכָּת֑/וֹ חֶשְׁכַת מַ֝֗יִם עָבֵ֥י שְׁחָקִֽים
STATEN

Duisternis zette Hij tot Zijn verberging; rondom Hem was Zijn tent, duisterheid der wateren, wolken des hemels.

13
מִ/נֹּ֗גַהּ נֶ֫גְדּ֥/וֹ עָבָ֥י/ו עָבְר֑וּ בָּ֝רָ֗ד וְ/גַֽחֲלֵי אֵֽשׁ
STATEN

Van den glans, die vóór Hem was, dreven Zijn wolken daarhenen, hagel en vurige kolen.

14
וַ/יַּרְעֵ֬ם בַּ/שָּׁמַ֨יִם יְֽהוָ֗ה וְ֭/עֶלְיוֹן יִתֵּ֣ן קֹל֑/וֹ בָּ֝רָ֗ד וְ/גַֽחֲלֵי אֵֽשׁ
STATEN

En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen.

15
וַ/יִּשְׁלַ֣ח חִ֭צָּי/ו וַ/יְפִיצֵ֑/ם וּ/בְרָקִ֥ים רָ֝ב וַ/יְהֻמֵּֽ/ם
STATEN

En Hij zond Zijn pijlen uit, en verstrooide ze; en Hij vermenigvuldigde de bliksemen, en verschrikte ze.

16
וַ/יֵּ֤רָא֨וּ אֲפִ֥יקֵי מַ֗יִם וַֽ/יִּגָּלוּ֮ מוֹסְד֪וֹת תֵּ֫בֵ֥ל מִ/גַּעֲרָ֣תְ/ךָ֣ יְהוָ֑ה מִ֝/נִּשְׁמַ֗ת ר֣וּחַ אַפֶּֽ/ךָ
STATEN

En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van Uw schelden, o HEERE! van het geblaas des winds van Uw neus.

17
יִשְׁלַ֣ח מִ֭/מָּרוֹם יִקָּחֵ֑/נִי יַֽ֝מְשֵׁ֗/נִי מִ/מַּ֥יִם רַבִּֽים
STATEN

Hij zond van de hoogte, Hij nam mij, Hij trok mij op uit grote wateren.

18
יַצִּילֵ֗/נִי מֵ/אֹיְבִ֥/י עָ֑ז וּ֝/מִ/שֹּׂנְאַ֗/י כִּֽי אָמְצ֥וּ מִמֶּֽ/נִּי
STATEN

Hij verloste mij van mijn sterken vijand, en van mijn haters, omdat zij machtiger waren dan ik.

19
יְקַדְּמ֥וּ/נִי בְ/יוֹם אֵידִ֑/י וַֽ/יְהִי יְהוָ֖ה לְ/מִשְׁעָ֣ן לִֽ/י
STATEN

Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals; maar de HEERE was mij tot een Steunsel.

20
וַ/יּוֹצִיאֵ֥/נִי לַ/מֶּרְחָ֑ב יְ֝חַלְּצֵ֗/נִי כִּ֘י חָ֥פֵֽץ בִּֽ/י
STATEN

En Hij voerde mij uit in de ruimte, Hij rukte mij uit, want Hij had lust aan mij.

21
יִגְמְלֵ֣/נִי יְהוָ֣ה כְּ/צִדְקִ֑/י כְּ/בֹ֥ר יָ֝דַ֗/י יָשִׁ֥יב לִֽ/י
STATEN

De HEERE vergold mij naar mijn gerechtigheid, Hij gaf mij weder naar de reinigheid mijner handen.

22
כִּֽי שָׁ֭מַרְתִּי דַּרְכֵ֣י יְהוָ֑ה וְ/לֹֽא רָ֝שַׁ֗עְתִּי מֵ/אֱלֹהָֽ/י
STATEN

Want ik heb des HEEREN wegen gehouden, en ben van mijn God niet goddelooslijk afgegaan.

23
כִּ֣י כָל מִשְׁפָּטָ֣י/ו לְ/נֶגְדִּ֑/י וְ֝/חֻקֹּתָ֗י/ו לֹא אָסִ֥יר מֶֽנִּ/י
STATEN

Want al Zijn rechten waren voor mij, en Zijn inzettingen deed ik niet van mij weg.

24
וָ/אֱהִ֣י תָמִ֣ים עִמּ֑/וֹ וָ֝/אֶשְׁתַּמֵּ֗ר מֵ/עֲוֺנִֽ/י
STATEN

Maar ik was oprecht bij Hem, en ik wachtte mij voor mijn ongerechtigheid.

25
וַ/יָּֽשֶׁב יְהוָ֣ה לִ֣/י כְ/צִדְקִ֑/י כְּ/בֹ֥ר יָ֝דַ֗/י לְ/נֶ֣גֶד עֵינָֽי/ו
STATEN

Zo gaf mij de HEERE weder naar mijn gerechtigheid, naar de reinigheid mijner handen, voor Zijn ogen.

26
עִם חָסִ֥יד תִּתְחַסָּ֑ד עִם גְּבַ֥ר תָּ֝מִ֗ים תִּתַּמָּֽם
STATEN

Bij den goedertierene houdt Gij U goedertieren, bij den oprechten man houdt Gij U oprecht.

27
עִם נָבָ֥ר תִּתְבָּרָ֑ר וְ/עִם עִ֝קֵּ֗שׁ תִּתְפַּתָּֽל
STATEN

Bij den reine houdt Gij U rein, maar bij den verkeerde bewijst Gij U een Worstelaar.

28
כִּֽי אַ֭תָּה עַם עָנִ֣י תוֹשִׁ֑יעַ וְ/עֵינַ֖יִם רָמ֣וֹת תַּשְׁפִּֽיל
STATEN

Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.

29
כִּֽי אַ֭תָּה תָּאִ֣יר נֵרִ֑/י יְהוָ֥ה אֱ֝לֹהַ֗/י יַגִּ֥יהַּ חָשְׁכִּֽ/י
STATEN

Want Gij doet mijn lamp lichten; de HEERE, mijn God, doet mijn duisternis opklaren.

30
כִּֽי בְ֭/ךָ אָרֻ֣ץ גְּד֑וּד וּ֝/בֵֽ/אלֹהַ֗/י אֲדַלֶּג שֽׁוּר
STATEN

Want met U loop ik door een bende, en met mijn God spring ik over een muur.

31
הָ/אֵל֮ תָּמִ֪ים דַּ֫רְכּ֥/וֹ אִמְרַֽת יְהוָ֥ה צְרוּפָ֑ה מָגֵ֥ן ה֝֗וּא לְ/כֹ֤ל הַ/חֹסִ֬ים בּֽ/וֹ
STATEN

Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.

32
כִּ֤י מִ֣י אֱ֭לוֹהַּ מִ/בַּלְעֲדֵ֣י יְהוָ֑ה וּ/מִ֥י צ֝֗וּר זוּלָתִ֥/י אֱלֹהֵֽי/נוּ
STATEN

Want wie is God, behalve de HEERE? En wie is een Rotssteen, dan alleen onze God?

33
הָ֭/אֵל הַ/מְאַזְּרֵ֣/נִי חָ֑יִל וַ/יִּתֵּ֖ן תָּמִ֣ים דַּרְכִּֽ/י
STATEN

Het is God, Die mij met kracht omgordt; en Hij heeft mijn weg volkomen gemaakt.

34
מְשַׁוֶּ֣ה רַ֭גְלַ/י כָּ/אַיָּל֑וֹת וְ/עַ֥ל בָּ֝מֹתַ֗/י יַעֲמִידֵֽ/נִי
STATEN

Hij maakt mijn voeten gelijk als der hinden, en Hij stelt mij op mijn hoogten.

35
מְלַמֵּ֣ד יָ֭דַ/י לַ/מִּלְחָמָ֑ה וְֽ/נִחֲתָ֥ה קֶֽשֶׁת נְ֝חוּשָׁ֗ה זְרוֹעֹתָֽ/י
STATEN

Hij leert mijn handen ten strijde, zodat een stalen boog met mijn armen verbroken is.

36
וַ/תִּתֶּן לִ/י֮ מָגֵ֪ן יִ֫שְׁעֶ֥/ךָ וִֽ/ימִינְ/ךָ֥ תִסְעָדֵ֑/נִי וְֽ/עַנְוַתְ/ךָ֥ תַרְבֵּֽ/נִי
STATEN

Ook hebt Gij mij het schild Uws heils gegeven, en Uw rechterhand heeft mij ondersteund, en Uw zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.

37
תַּרְחִ֣יב צַעֲדִ֣/י תַחְתָּ֑/י וְ/לֹ֥א מָ֝עֲד֗וּ קַרְסֻלָּֽ/י
STATEN

Gij hebt mijn voetstap ruim gemaakt onder mij, en mijn enkelen hebben niet gewankeld.

38
אֶרְדּ֣וֹף א֭וֹיְבַ/י וְ/אַשִּׂיגֵ֑/ם וְ/לֹֽא אָ֝שׁוּב עַד כַּלּוֹתָֽ/ם
STATEN

Ik vervolgde mijn vijanden, en trof hen aan; en ik keerde niet weder, totdat ik hen verdaan had.

39
אֶ֭מְחָצֵ/ם וְ/לֹא יֻ֣כְלוּ ק֑וּם יִ֝פְּל֗וּ תַּ֣חַת רַגְלָֽ/י
STATEN

Ik doorstak hen, dat zij niet weder konden opstaan; zij vielen onder mijn voeten.

40
וַ/תְּאַזְּרֵ֣/נִי חַ֭יִל לַ/מִּלְחָמָ֑ה תַּכְרִ֖יעַ קָמַ֣/י תַּחְתָּֽ/י
STATEN

Want Gij omgorddet mij met kracht ten strijde; Gij deedt onder mij nederbukken, die tegen mij opstonden.

41
וְֽ/אֹיְבַ֗/י נָתַ֣תָּה לִּ֣/י עֹ֑רֶף וּ֝/מְשַׂנְאַ֗/י אַצְמִיתֵֽ/ם
STATEN

En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, en mijn haters, die vernielde ik.

42
יְשַׁוְּע֥וּ וְ/אֵין מוֹשִׁ֑יעַ עַל יְ֝הוָ֗ה וְ/לֹ֣א עָנָֽ/ם
STATEN

Zij riepen, maar er was geen verlosser; tot den HEERE, maar Hij antwoordde hun niet.

43
וְֽ/אֶשְׁחָקֵ֗/ם כְּ/עָפָ֥ר עַל פְּנֵי ר֑וּחַ כְּ/טִ֖יט חוּצ֣וֹת אֲרִיקֵֽ/ם
STATEN

Toen vergruisde ik hen als stof voor den wind; ik ruimde hen weg als slijk der straten.

44
תְּפַלְּטֵ/נִי֮ מֵ/רִ֪יבֵ֫י עָ֥ם תְּ֭שִׂימֵ/נִי לְ/רֹ֣אשׁ גּוֹיִ֑ם עַ֖ם לֹא יָדַ֣עְתִּי יַֽעַבְדֽוּ/נִי
STATEN

Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; Gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen; het volk, dat ik niet kende, heeft mij gediend.

45
לְ/שֵׁ֣מַֽע אֹ֭זֶן יִשָּׁ֣מְעוּ לִ֑/י בְּנֵֽי נֵ֝כָ֗ר יְכַחֲשׁוּ לִֽ/י
STATEN

Zo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen.

46
בְּנֵי נֵכָ֥ר יִבֹּ֑לוּ וְ֝/יַחְרְג֗וּ מִֽ/מִּסְגְּרֽוֹתֵי/הֶֽם
STATEN

Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hun sloten.

47
חַי יְ֭הוָה וּ/בָר֣וּךְ צוּרִ֑/י וְ֝/יָר֗וּם אֱלוֹהֵ֥י יִשְׁעִֽ/י
STATEN

De HEERE leeft, en geloofd zij mijn Rotssteen, en verhoogd zij de God mijns heils!

48
הָ/אֵ֗ל הַ/נּוֹתֵ֣ן נְקָמ֣וֹת לִ֑/י וַ/יַּדְבֵּ֖ר עַמִּ֣ים תַּחְתָּֽ/י
STATEN

De God, Die mij volkomen wraak geeft, en de volken onder mij brengt;

49
מְפַלְּטִ֗/י מֵ/אֹ֫יְבָ֥/י אַ֣ף מִן קָ֭מַ/י תְּרוֹמְמֵ֑/נִי מֵ/אִ֥ישׁ חָ֝מָ֗ס תַּצִּילֵֽ/נִי
STATEN

Die mij uithelpt van mijn vijanden; ja, Gij verhoogt mij boven degenen, die tegen mij opstaan; Gij redt mij van den man des gewelds.

50
עַל כֵּ֤ן אוֹדְ/ךָ֖ בַ/גּוֹיִ֥ם יְהוָ֑ה וּ/לְ/שִׁמְ/ךָ֥ אֲזַמֵּֽרָה
STATEN

Daarom zal ik U, o HEERE! loven onder de heidenen; en Uw Naam zal ik psalmzingen;

51
מַגְדִּיל֮ מגדל יְשׁוּע֪וֹת מַ֫לְכּ֥/וֹ וְ/עֹ֤שֶׂה חֶ֨סֶד לִ/מְשִׁיח֗/וֹ לְ/דָוִ֥ד וּ/לְ/זַרְע֗/וֹ עַד עוֹלָֽם
STATEN

Die de verlossingen Zijns konings groot maakt, en goedertierenheid doet aan Zijn gezalfde, aan David en aan zijn zaad tot in eeuwigheid.