KETUVIM

Psalmen 52

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֗חַ מַשְׂכִּ֥יל לְ/דָוִֽד
STATEN

Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester.

2
בְּ/ב֤וֹא דּוֹאֵ֣ג הָ/אֲדֹמִי֮ וַ/יַּגֵּ֪ד לְ/שָׁ֫א֥וּל וַ/יֹּ֥אמֶר ל֑/וֹ בָּ֥א דָ֝וִ֗ד אֶל בֵּ֥ית אֲחִימֶֽלֶךְ
STATEN

Als Doëg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimélech.

3
מַה תִּתְהַלֵּ֣ל בְּ֭/רָעָה הַ/גִּבּ֑וֹר חֶ֥סֶד אֵ֝֗ל כָּל הַ/יּֽוֹם
STATEN

Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.

4
הַ֭וּוֹת תַּחְשֹׁ֣ב לְשׁוֹנֶ֑/ךָ כְּ/תַ֥עַר מְ֝לֻטָּ֗שׁ עֹשֵׂ֥ה רְמִיָּֽה
STATEN

Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog.

5
אָהַ֣בְתָּ רָּ֣ע מִ/טּ֑וֹב שֶׁ֓קֶר מִ/דַּבֵּ֖ר צֶ֣דֶק סֶֽלָה
STATEN

Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela.

6
אָהַ֥בְתָּ כָֽל דִּבְרֵי בָ֗לַע לְשׁ֣וֹן מִרְמָֽה
STATEN

Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.

7
גַּם אֵל֮ יִתָּצְ/ךָ֪ לָ֫/נֶ֥צַח יַחְתְּ/ךָ֣ וְ/יִסָּחֲ/ךָ֣ מֵ/אֹ֑הֶל וְ/שֵֽׁרֶשְׁ/ךָ֨ מֵ/אֶ֖רֶץ חַיִּ֣ים סֶֽלָה
STATEN

God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.

8
וְ/יִרְא֖וּ צַדִּיקִ֥ים וְ/יִירָ֗אוּ וְ/עָלָ֥י/ו יִשְׂחָֽקוּ
STATEN

En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende:

9
הִנֵּ֤ה הַ/גֶּ֗בֶר לֹ֤א יָשִׂ֥ים אֱלֹהִ֗ים מָֽע֫וּזּ֥/וֹ וַ֭/יִּבְטַח בְּ/רֹ֣ב עָשְׁר֑/וֹ יָ֝עֹ֗ז בְּ/הַוָּתֽ/וֹ
STATEN

Zie den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen.

10
וַ/אֲנִ֤י כְּ/זַ֣יִת רַ֭עֲנָן בְּ/בֵ֣ית אֱלֹהִ֑ים בָּטַ֥חְתִּי בְ/חֶֽסֶד אֱ֝לֹהִ֗ים עוֹלָ֥ם וָ/עֶֽד
STATEN

Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos.

11
אוֹדְ/ךָ֣ לְ֭/עוֹלָם כִּ֣י עָשִׂ֑יתָ וַ/אֲקַוֶּ֖ה שִׁמְ/ךָ֥ כִֽי ט֝֗וֹב נֶ֣גֶד חֲסִידֶֽי/ךָ
STATEN

Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten.