KETUVIM
Psalmen 52
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
לַ/מְנַצֵּ֗חַ מַשְׂכִּ֥יל לְ/דָוִֽד׃
STATEN
Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester.
בְּ/ב֤וֹא דּוֹאֵ֣ג הָ/אֲדֹמִי֮ וַ/יַּגֵּ֪ד לְ/שָׁ֫א֥וּל וַ/יֹּ֥אמֶר ל֑/וֹ בָּ֥א דָ֝וִ֗ד אֶל בֵּ֥ית אֲחִימֶֽלֶךְ׀־׃
STATEN
Als Doëg, de Edomiet, gekomen was, en Saul te kennen gegeven, en tot hem gezegd had: David is gekomen ten huize van Achimélech.
מַה תִּתְהַלֵּ֣ל בְּ֭/רָעָה הַ/גִּבּ֑וֹר חֶ֥סֶד אֵ֝֗ל כָּל הַ/יּֽוֹם־־׃
STATEN
Wat beroemt gij u in het kwaad, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den gansen dag.
הַ֭וּוֹת תַּחְשֹׁ֣ב לְשׁוֹנֶ֑/ךָ כְּ/תַ֥עַר מְ֝לֻטָּ֗שׁ עֹשֵׂ֥ה רְמִיָּֽה׃
STATEN
Uw tong denkt enkel schade als een geslepen scheermes, werkende bedrog.
אָהַ֣בְתָּ רָּ֣ע מִ/טּ֑וֹב שֶׁ֓קֶר מִ/דַּבֵּ֖ר צֶ֣דֶק סֶֽלָה׀׃
STATEN
Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen, dan gerechtigheid te spreken. Sela.
אָהַ֥בְתָּ כָֽל דִּבְרֵי בָ֗לַע לְשׁ֣וֹן מִרְמָֽה־־׃
STATEN
Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.
גַּם אֵל֮ יִתָּצְ/ךָ֪ לָ֫/נֶ֥צַח יַחְתְּ/ךָ֣ וְ/יִסָּחֲ/ךָ֣ מֵ/אֹ֑הֶל וְ/שֵֽׁרֶשְׁ/ךָ֨ מֵ/אֶ֖רֶץ חַיִּ֣ים סֶֽלָה־׃
STATEN
God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.
וְ/יִרְא֖וּ צַדִּיקִ֥ים וְ/יִירָ֗אוּ וְ/עָלָ֥י/ו יִשְׂחָֽקוּ׃
STATEN
En de rechtvaardigen zullen het zien, en vrezen; en zij zullen over hem lachen, zeggende:
הִנֵּ֤ה הַ/גֶּ֗בֶר לֹ֤א יָשִׂ֥ים אֱלֹהִ֗ים מָֽע֫וּזּ֥/וֹ וַ֭/יִּבְטַח בְּ/רֹ֣ב עָשְׁר֑/וֹ יָ֝עֹ֗ז בְּ/הַוָּתֽ/וֹ׃
STATEN
Zie den man, die God niet stelde tot Zijn Sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijkdoms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen.
וַ/אֲנִ֤י כְּ/זַ֣יִת רַ֭עֲנָן בְּ/בֵ֣ית אֱלֹהִ֑ים בָּטַ֥חְתִּי בְ/חֶֽסֶד אֱ֝לֹהִ֗ים עוֹלָ֥ם וָ/עֶֽד׀־׃
STATEN
Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Gods huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos.
אוֹדְ/ךָ֣ לְ֭/עוֹלָם כִּ֣י עָשִׂ֑יתָ וַ/אֲקַוֶּ֖ה שִׁמְ/ךָ֥ כִֽי ט֝֗וֹב נֶ֣גֶד חֲסִידֶֽי/ךָ־׃
STATEN
Ik zal U loven in eeuwigheid, omdat Gij het gedaan hebt; en ik zal Uw Naam verwachten; want hij is goed voor Uw gunstgenoten.