KETUVIM

Psalmen 45

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֣חַ עַל שֹׁ֭שַׁנִּים לִ/בְנֵי קֹ֑רַח מַ֝שְׂכִּ֗יל שִׁ֣יר יְדִידֹֽת
STATEN

Een onderwijzing, een lied der liefden, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach, op Schóschannim.

2
רָ֘חַ֤שׁ לִבִּ֨/י דָּ֘בָ֤ר ט֗וֹב אֹמֵ֣ר אָ֭נִי מַעֲשַׂ֣/י לְ/מֶ֑לֶךְ לְ֝שׁוֹנִ֗/י עֵ֤ט סוֹפֵ֬ר מָהִֽיר
STATEN

Mijn hart geeft een goede rede op; ik zegge mijn gedichten uit van een Koning; mijn tong is een pen eens vaardigen schrijvers.

3
יָפְיָפִ֡יתָ מִ/בְּנֵ֬י אָדָ֗ם ה֣וּצַק חֵ֭ן בְּ/שְׂפְתוֹתֶ֑י/ךָ עַל כֵּ֤ן בֵּֽרַכְ/ךָ֖ אֱלֹהִ֣ים לְ/עוֹלָֽם
STATEN

Gij zijt veel schoner dan de mensenkinderen; genade is uitgestort in Uw lippen; daarom heeft U God gezegend in eeuwigheid.

4
חֲגֽוֹר חַרְבְּ/ךָ֣ עַל יָרֵ֣ךְ גִּבּ֑וֹר ה֝וֹדְ/ךָ֗ וַ/הֲדָרֶֽ/ךָ
STATEN

Gord Uw zwaard aan de heup, o Held! Uw Majesteit en Uw heerlijkheid.

5
וַ/הֲדָ֬רְ/ךָ֨ צְלַ֬ח רְכַ֗ב עַֽל דְּבַר אֱ֭מֶת וְ/עַנְוָה צֶ֑דֶק וְ/תוֹרְ/ךָ֖ נוֹרָא֣וֹת יְמִינֶֽ/ךָ
STATEN

En rijd voorspoediglijk in Uw heerlijkheid, op het woord der waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en Uw rechterhand zal U vreselijke dingen leren.

6
חִצֶּ֗י/ךָ שְׁנ֫וּנִ֥ים עַ֭מִּים תַּחְתֶּ֣י/ךָ יִפְּל֑וּ בְּ֝/לֵ֗ב אוֹיְבֵ֥י הַ/מֶּֽלֶךְ
STATEN

Uw pijlen zijn scherp; volken zullen onder U vallen; zij treffen in het hart van des Konings vijanden.

7
כִּסְאֲ/ךָ֣ אֱ֭לֹהִים עוֹלָ֣ם וָ/עֶ֑ד שֵׁ֥בֶט מִ֝ישֹׁ֗ר שֵׁ֣בֶט מַלְכוּתֶֽ/ךָ
STATEN

Uw troon, o God! is eeuwiglijk en altoos; de scepter Uws Koninkrijks is een scepter der rechtmatigheid.

8
אָהַ֣בְתָּ צֶּדֶק֮ וַ/תִּשְׂנָ֫א רֶ֥שַׁע עַל כֵּ֤ן מְשָׁחֲ/ךָ֡ אֱלֹהִ֣ים אֱ֭לֹהֶי/ךָ שֶׁ֥מֶן שָׂשׂ֗וֹן מֵֽ/חֲבֵרֶֽי/ךָ
STATEN

Gij hebt gerechtigheid lief, en haat goddeloosheid; daarom heeft U, o God! Uw God gezalfd met vreugdeolie, boven Uw medegenoten.

9
מֹר וַ/אֲהָל֣וֹת קְ֭צִיעוֹת כָּל בִּגְדֹתֶ֑י/ךָ מִֽן הֵ֥יכְלֵי שֵׁ֝֗ן מִנִּ֥י שִׂמְּחֽוּ/ךָ
STATEN

Al Uw klederen zijn mirre, en aloë, en kassie; uit de elpenbenen paleizen, van waar zij U verblijden.

10
בְּנ֣וֹת מְ֭לָכִים בְּ/יִקְּרוֹתֶ֑י/ךָ נִצְּבָ֥ה שֵׁגַ֥ל לִֽ֝/ימִינְ/ךָ֗ בְּ/כֶ֣תֶם אוֹפִֽיר
STATEN

Dochters van koningen zijn onder Uw kostelijke staatdochteren; de Koningin staat aan Uw rechterhand, in het fijnste goud van Ofir.

11
שִׁמְעִי בַ֣ת וּ֭/רְאִי וְ/הַטִּ֣י אָזְנֵ֑/ךְ וְ/שִׁכְחִ֥י עַ֝מֵּ֗/ךְ וּ/בֵ֥ית אָבִֽי/ךְ
STATEN

Hoor, o dochter, en zie, en neig uw oor; en vergeet uw volk en uws vaders huis.

12
וְ/יִתְאָ֣ו הַ/מֶּ֣לֶךְ יָפְיֵ֑/ךְ כִּי ה֥וּא אֲ֝דֹנַ֗יִ/ךְ וְ/הִשְׁתַּֽחֲוִי לֽ/וֹ
STATEN

Zo zal de Koning lust hebben aan uw schoonheid; dewijl Hij uw Heere is, zo buig u voor Hem neder.

13
וּ/בַֽת צֹ֨ר בְּ֭/מִנְחָה פָּנַ֥יִ/ךְ יְחַלּ֗וּ עֲשִׁ֣ירֵי עָֽם
STATEN

En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.

14
כָּל כְּבוּדָּ֣ה בַת מֶ֣לֶךְ פְּנִ֑ימָה מִֽ/מִּשְׁבְּצ֖וֹת זָהָ֣ב לְבוּשָֽׁ/הּ
STATEN

Des konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.

15
לִ/רְקָמוֹת֮ תּוּבַ֪ל לַ֫/מֶּ֥לֶךְ בְּתוּל֣וֹת אַ֭חֲרֶי/הָ רֵעוֹתֶ֑י/הָ מ֖וּבָא֣וֹת לָֽ/ךְ
STATEN

In gestikte klederen zal zij tot den Koning geleid worden; de jonge dochteren, die achter haar zijn, haar medegezellinnen, zullen tot u gebracht worden.

16
תּ֭וּבַלְנָה בִּ/שְׂמָחֹ֣ת וָ/גִ֑יל תְּ֝בֹאֶ֗ינָה בְּ/הֵ֣יכַל מֶֽלֶךְ
STATEN

Zij zullen geleid worden met alle blijdschap en verheuging; zij zullen ingaan in des Konings paleis.

17
תַּ֣חַת אֲ֭בֹתֶי/ךָ יִהְי֣וּ בָנֶ֑י/ךָ תְּשִׁיתֵ֥/מוֹ לְ֝/שָׂרִ֗ים בְּ/כָל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

In plaats van Uw vaderen zullen Uw zonen zijn; Gij zult hen tot vorsten zetten over de ganse aarde.

18
אַזְכִּ֣ירָה שִׁ֭מְ/ךָ בְּ/כָל דֹּ֣ר וָ/דֹ֑ר עַל כֵּ֥ן עַמִּ֥ים יְ֝הוֹדֻ֗/ךָ לְ/עֹלָ֥ם וָ/עֶֽד
STATEN

Ik zal Uws Naams doen gedenken van elk geslacht tot geslacht; daarom zullen U de volken loven eeuwiglijk en altoos.