KETUVIM

Psalmen 2

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לָ֭/מָּה רָגְשׁ֣וּ גוֹיִ֑ם וּ֝/לְאֻמִּ֗ים יֶהְגּוּ רִֽיק
STATEN

Waarom woeden de heidenen, en bedenken de volken ijdelheid?

2
יִ֥תְיַצְּב֨וּ מַלְכֵי אֶ֗רֶץ וְ/רוֹזְנִ֥ים נֽוֹסְדוּ יָ֑חַד עַל יְ֝הוָה וְ/עַל מְשִׁיחֽ/וֹ
STATEN

De koningen der aarde stellen zich op, en de vorsten beraadslagen te zamen tegen den HEERE, en tegen Zijn Gezalfde, zeggende:

3
נְֽ֭נַתְּקָה אֶת מֽוֹסְרוֹתֵ֑י/מוֹ וְ/נַשְׁלִ֖יכָה מִמֶּ֣/נּוּ עֲבֹתֵֽי/מוֹ
STATEN

Laat ons hun banden verscheuren, en hun touwen van ons werpen.

4
יוֹשֵׁ֣ב בַּ/שָּׁמַ֣יִם יִשְׂחָ֑ק אֲ֝דֹנָ֗/י יִלְעַג לָֽ/מוֹ
STATEN

Die in den hemel woont, zal lachen; de Heere zal hen bespotten.

5
אָ֤ז יְדַבֵּ֣ר אֵלֵ֣י/מוֹ בְ/אַפּ֑/וֹ וּֽ/בַ/חֲרוֹנ֥/וֹ יְבַהֲלֵֽ/מוֹ
STATEN

Dan zal Hij tot hen spreken in Zijn toorn, en in Zijn grimmigheid zal Hij hen verschrikken.

6
וַ֭/אֲנִי נָסַ֣כְתִּי מַלְכִּ֑/י עַל צִ֝יּ֗וֹן הַר קָדְשִֽׁ/י
STATEN

Ik toch heb Mijn Koning gezalfd over Sion, den berg Mijner heiligheid.

7
אֲסַפְּרָ֗ה אֶֽ֫ל חֹ֥ק יְֽהוָ֗ה אָמַ֘ר אֵלַ֥/י בְּנִ֥/י אַ֑תָּה אֲ֝נִ֗י הַ/יּ֥וֹם יְלִדְתִּֽי/ךָ
STATEN

Ik zal van het besluit verhalen: de HEERE heeft tot Mij gezegd: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.

8
שְׁאַ֤ל מִמֶּ֗/נִּי וְ/אֶתְּנָ֣ה ג֭וֹיִם נַחֲלָתֶ֑/ךָ וַ֝/אֲחֻזָּתְ/ךָ֗ אַפְסֵי אָֽרֶץ
STATEN

Eis van Mij, en Ik zal de heidenen geven tot Uw erfdeel, en de einden der aarde tot Uw bezitting.

9
תְּ֭רֹעֵ/ם בְּ/שֵׁ֣בֶט בַּרְזֶ֑ל כִּ/כְלִ֖י יוֹצֵ֣ר תְּנַפְּצֵֽ/ם
STATEN

Gij zult hen verpletteren met een ijzeren scepter; Gij zult hen in stukken slaan als een pottenbakkersvat.

10
וְ֭/עַתָּה מְלָכִ֣ים הַשְׂכִּ֑ילוּ הִ֝וָּסְר֗וּ שֹׁ֣פְטֵי אָֽרֶץ
STATEN

Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk; laat u tuchtigen, gij rechters der aarde!

11
עִבְד֣וּ אֶת יְהוָ֣ה בְּ/יִרְאָ֑ה וְ֝/גִ֗ילוּ בִּ/רְעָדָֽה
STATEN

Dient den HEERE met vreze, en verheugt u met beving.

12
נַשְּׁקוּ בַ֡ר פֶּן יֶאֱנַ֤ף וְ/תֹ֬אבְדוּ דֶ֗רֶךְ כִּֽי יִבְעַ֣ר כִּ/מְעַ֣ט אַפּ֑/וֹ אַ֝שְׁרֵ֗י כָּל ח֥וֹסֵי בֽ/וֹ
STATEN

Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat, wanneer Zijn toorn maar een weinig zou ontbranden. Welgelukzalig zijn allen, die op Hem betrouwen.