KETUVIM

Psalmen 74

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
מַשְׂכִּ֗יל לְ/אָ֫סָ֥ף לָ/מָ֣ה אֱ֭לֹהִים זָנַ֣חְתָּ לָ/נֶ֑צַח יֶעְשַׁ֥ן אַ֝פְּ/ךָ֗ בְּ/צֹ֣אן מַרְעִיתֶֽ/ךָ
STATEN

Een onderwijzing, voor Asaf. O God! waarom verstoot Gij in eeuwigheid? Waarom zou Uw toorn roken tegen de schapen Uwer weide?

2
זְכֹ֤ר עֲדָתְ/ךָ֨ קָ֘נִ֤יתָ קֶּ֗דֶם גָּ֭אַלְתָּ שֵׁ֣בֶט נַחֲלָתֶ֑/ךָ הַר צִ֝יּ֗וֹן זֶ֤ה שָׁכַ֬נְתָּ בּֽ/וֹ
STATEN

Gedenk aan Uw vergadering, die Gij van ouds verworven hebt; de roede Uwer erfenis, die Gij verlost hebt; den berg Sion, waarop Gij gewoond hebt.

3
הָרִ֣ימָ/ה פְ֭עָמֶי/ךָ לְ/מַשֻּׁא֣וֹת נֶ֑צַח כָּל הֵרַ֖ע אוֹיֵ֣ב בַּ/קֹּֽדֶשׁ
STATEN

Hef Uw voeten op tot de eeuwige verwoestingen; de vijand heeft alles in het heiligdom verdorven.

4
שָׁאֲג֣וּ צֹ֭רְרֶי/ךָ בְּ/קֶ֣רֶב מוֹעֲדֶ֑/ךָ שָׂ֖מוּ אוֹתֹתָ֣/ם אֹתֽוֹת
STATEN

Uw wederpartijders hebben in het midden van Uw vergaderplaatsen gebruld; zij hebben hun tekenen tot tekenen gesteld.

5
יִ֭וָּדַע כְּ/מֵבִ֣יא לְ/מָ֑עְלָ/ה בִּֽ/סֲבָךְ עֵ֝֗ץ קַרְדֻּמּֽוֹת
STATEN

Een ieder werd er bekend als een, die de bijlen omhoog aanbrengt in de dichtigheid van een geboomte.

6
ו/עת פִּתּוּחֶ֣י/הָ יָּ֑חַד בְּ/כַשִּׁ֥יל וְ֝/כֵֽילַפֹּ֗ת יַהֲלֹמֽוּ/ן וְ֭/עַתָּה
STATEN

Alzo hebben zij nu derzelver graveerselen samen met houwelen en beukhamers in stukken geslagen.

7
שִׁלְח֣וּ בָ֭/אֵשׁ מִקְדָּשֶׁ֑/ךָ לָ֝/אָ֗רֶץ חִלְּל֥וּ מִֽשְׁכַּן שְׁמֶֽ/ךָ
STATEN

Zij hebben Uw heiligdommen in het vuur gezet; ter aarde toe hebben zij de woning Uws Naams ontheiligd.

8
אָמְר֣וּ בְ֭/לִבָּ/ם נִינָ֣/ם יָ֑חַד שָׂרְפ֖וּ כָל מוֹעֲדֵי אֵ֣ל בָּ/אָֽרֶץ
STATEN

Zij hebben in hun hart gezegd: Laat ze ons te zamen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand.

9
אֽוֹתֹתֵ֗י/נוּ לֹ֥א רָ֫אִ֥ינוּ אֵֽין ע֥וֹד נָבִ֑יא וְ/לֹֽא אִ֝תָּ֗/נוּ יֹדֵ֥עַ עַד מָֽה
STATEN

Wij zien onze tekenen niet; er is geen profeet meer, noch iemand bij ons, die weet, hoe lang.

10
עַד מָתַ֣י אֱ֭לֹהִים יְחָ֣רֶף צָ֑ר יְנָ֘אֵ֤ץ אוֹיֵ֖ב שִׁמְ/ךָ֣ לָ/נֶֽצַח
STATEN

Hoe lang, o God! zal de wederpartijder smaden? Zal de vijand Uw Naam in eeuwigheid lasteren?

11
לָ֤/מָּה תָשִׁ֣יב יָ֭דְ/ךָ וִֽ/ימִינֶ֑/ךָ מִ/קֶּ֖רֶב חוק/ך כַלֵּֽה חֵֽיקְ/ךָ֣
STATEN

Waarom trekt Gij Uw hand, ja, Uw rechterhand af? Trek haar uit het midden van Uw boezem; maak een einde.

12
וֵ֭/אלֹהִים מַלְכִּ֣/י מִ/קֶּ֑דֶם פֹּעֵ֥ל יְ֝שׁוּע֗וֹת בְּ/קֶ֣רֶב הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Evenwel is God mijn Koning van ouds af, Die verlossingen werkt in het midden der aarde.

13
אַתָּ֤ה פוֹרַ֣רְתָּ בְ/עָזְּ/ךָ֣ יָ֑ם שִׁבַּ֖רְתָּ רָאשֵׁ֥י תַ֝נִּינִ֗ים עַל הַ/מָּֽיִם
STATEN

Gij hebt door Uw sterkte de zee gespleten; Gij hebt de koppen der draken in de wateren verbroken.

14
אַתָּ֣ה רִ֭צַּצְתָּ רָאשֵׁ֣י לִוְיָתָ֑ן תִּתְּנֶ֥/נּוּ מַ֝אֲכָ֗ל לְ/עָ֣ם לְ/צִיִּֽים
STATEN

Gij hebt de koppen des Leviathans verpletterd; Gij hebt hem tot spijs gegeven aan het volk in dorre plaatsen.

15
אַתָּ֣ה בָ֭קַעְתָּ מַעְיָ֣ן וָ/נָ֑חַל אַתָּ֥ה ה֝וֹבַ֗שְׁתָּ נַהֲר֥וֹת אֵיתָֽן
STATEN

Gij hebt een fontein en beek gekliefd; Gij hebt sterke rivieren uitgedroogd.

16
לְ/ךָ֣ י֭וֹם אַף לְ/ךָ֥ לָ֑יְלָה אַתָּ֥ה הֲ֝כִינ֗וֹתָ מָא֥וֹר וָ/שָֽׁמֶשׁ
STATEN

De dag is Uwe, ook is de nacht Uwe; Gij hebt het licht en de zon bereid.

17
אַתָּ֣ה הִ֭צַּבְתָּ כָּל גְּבוּל֣וֹת אָ֑רֶץ קַ֥יִץ וָ֝/חֹ֗רֶף אַתָּ֥ה יְצַרְתָּ/ם
STATEN

Gij hebt al de palen der aarde gesteld; zomer en winter, die hebt Gij geformeerd.

18
זְכָר זֹ֗את א֭וֹיֵב חֵרֵ֣ף יְהוָ֑ה וְ/עַ֥ם נָ֝בָ֗ל נִֽאֲצ֥וּ שְׁמֶֽ/ךָ
STATEN

Gedenk hieraan; de vijand heeft den HEERE gesmaad, en een dwaas volk heeft Uw Naam gelasterd.

19
אַל תִּתֵּ֣ן לְ֭/חַיַּת נֶ֣פֶשׁ תּוֹרֶ֑/ךָ חַיַּ֥ת עֲ֝נִיֶּ֗י/ךָ אַל תִּשְׁכַּ֥ח לָ/נֶֽצַח
STATEN

Geef aan het wild gedierte de ziel Uwer tortelduif niet over; vergeet den hoop Uwer ellendigen niet in eeuwigheid.

20
הַבֵּ֥ט לַ/בְּרִ֑ית כִּ֥י מָלְא֥וּ מַחֲשַׁכֵּי אֶ֝֗רֶץ נְא֣וֹת חָמָֽס
STATEN

Aanschouw het verbond; want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.

21
אַל יָשֹׁ֣ב דַּ֣ךְ נִכְלָ֑ם עָנִ֥י וְ֝/אֶבְי֗וֹן יְֽהַלְל֥וּ שְׁמֶֽ/ךָ
STATEN

Laat den verdrukte niet beschaamd wederkeren; laat den ellendige en nooddruftige Uw Naam prijzen.

22
קוּמָ֣/ה אֱ֭לֹהִים רִיבָ֣/ה רִיבֶ֑/ךָ זְכֹ֥ר חֶרְפָּתְ/ךָ֥ מִנִּי נָ֝בָ֗ל כָּל הַ/יּֽוֹם
STATEN

Sta op, o God! twist Uw twistzaak; gedenk der smaadheid, die U van den dwaze wedervaart den ganse dag.

23
אַל תִּ֭שְׁכַּח ק֣וֹל צֹרְרֶ֑י/ךָ שְׁא֥וֹן קָ֝מֶ֗י/ךָ עֹלֶ֥ה תָמִֽיד
STATEN

Vergeet niet het geroep Uwer wederpartijders; het getier dergenen, die tegen U opstaan, klimt geduriglijk op.