Ga naar inhoud
KETUVIM

Psalmen 135

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150151
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
הַ֥לְלוּ יָ֨הּ הַֽ֭לְלוּ אֶת שֵׁ֣ם יְהוָ֑ה הַֽ֝לְלוּ עַבְדֵ֥י יְהוָֽה׀־׃
STATEN

Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!

2
שֶׁ֣֭/עֹֽמְדִים בְּ/בֵ֣ית יְהוָ֑ה בְּ֝/חַצְר֗וֹת בֵּ֣ית אֱלֹהֵֽי/נוּ׃
STATEN

Gij, die staat in het huis des HEEREN, in de voorhoven van het huis onzes Gods!

3
הַֽ֭לְלוּ יָהּ כִּי ט֣וֹב יְהוָ֑ה זַמְּר֥וּ לִ֝/שְׁמ֗/וֹ כִּ֣י נָעִֽים־־׃
STATEN

Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.

4
כִּֽי יַעֲקֹ֗ב בָּחַ֣ר ל֣/וֹ יָ֑הּ יִ֝שְׂרָאֵ֗ל לִ/סְגֻלָּתֽ/וֹ־׃
STATEN

Want de HEERE heeft Zich Jakob verkoren, Israël tot Zijn eigendom.

5
כִּ֤י אֲנִ֣י יָ֭דַעְתִּי כִּי גָד֣וֹל יְהוָ֑ה וַ֝/אֲדֹנֵ֗י/נוּ מִ/כָּל אֱלֹהִֽים־־׃
STATEN

Want ik weet, dat de HEERE groot is, en dat onze Heere boven alle goden is.

6
כֹּ֤ל אֲשֶׁר חָפֵ֥ץ יְהוָ֗ה עָ֫שָׂ֥ה בַּ/שָּׁמַ֥יִם וּ/בָ/אָ֑רֶץ בַּ֝/יַּמִּ֗ים וְ/כָל תְּהוֹמֽוֹת־־׃
STATEN

Al wat den HEERE behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden.

7
מַֽעֲלֶ֣ה נְשִׂאִים֮ מִ/קְצֵ֪ה הָ֫/אָ֥רֶץ בְּרָקִ֣ים לַ/מָּטָ֣ר עָשָׂ֑ה מֽוֹצֵא ר֝וּחַ מֵ/אֽוֹצְרוֹתָֽי/ו־׃
STATEN

Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.

8
שֶֽׁ֭/הִכָּה בְּכוֹרֵ֣י מִצְרָ֑יִם מֵ֝/אָדָ֗ם עַד בְּהֵמָֽה־׃
STATEN

Die de eerstgeborenen van Egypte sloeg, van den mens af tot het vee toe.

9
שָׁלַ֤ח אֹת֣וֹת וּ֭/מֹפְתִים בְּ/תוֹכֵ֣/כִי מִצְרָ֑יִם בְּ֝/פַרְעֹ֗ה וּ/בְ/כָל עֲבָדָֽי/ו׀־׃
STATEN

Hij zond tekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte! tegen Faraö en tegen al zijn knechten.

10
שֶֽׁ֭/הִכָּה גּוֹיִ֣ם רַבִּ֑ים וְ֝/הָרַ֗ג מְלָכִ֥ים עֲצוּמִֽים׃
STATEN

Die veel volken sloeg, en machtige koningen doodde;

11
לְ/סִיח֤וֹן מֶ֤לֶךְ הָ/אֱמֹרִ֗י וּ֭/לְ/עוֹג מֶ֣לֶךְ הַ/בָּשָׁ֑ן וּ֝/לְ/כֹ֗ל מַמְלְכ֥וֹת כְּנָֽעַן׀׃
STATEN

Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaän,

12
וְ/נָתַ֣ן אַרְצָ֣/ם נַחֲלָ֑ה נַ֝חֲלָ֗ה לְ/יִשְׂרָאֵ֥ל עַמּֽ/וֹ׃
STATEN

En Hij gaf hun land ten erve, ten erve aan Zijn volk Israël.

Op De Naamdragers

Blogs over Psalmen 135

Nog geen artikelen die specifiek naar Psalmen 135 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →