KETUVIM
Psalmen 109
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
לַ֭/מְנַצֵּחַ לְ/דָוִ֣ד מִזְמ֑וֹר אֱלֹהֵ֥י תְ֝הִלָּתִ֗/י אַֽל תֶּחֱרַֽשׁ־׃
STATEN
Een psalm van David, voor den opperzangmeester. O God mijns lofs! zwijg niet.
כִּ֤י פִ֪י רָשָׁ֡ע וּֽ/פִי מִ֭רְמָה עָלַ֣/י פָּתָ֑חוּ דִּבְּר֥וּ אִ֝תִּ֗/י לְשׁ֣וֹן שָֽׁקֶר־׃
STATEN
Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.
וְ/דִבְרֵ֣י שִׂנְאָ֣ה סְבָב֑וּ/נִי וַ/יִּֽלָּחֲמ֥וּ/נִי חִנָּֽם׃
STATEN
En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.
תַּֽחַת אַהֲבָתִ֥/י יִשְׂטְנ֗וּ/נִי וַ/אֲנִ֥י תְפִלָּֽה־׃
STATEN
Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.
וַ/יָּ֘שִׂ֤ימוּ עָלַ֣/י רָ֭עָה תַּ֣חַת טוֹבָ֑ה וְ֝/שִׂנְאָ֗ה תַּ֣חַת אַהֲבָתִֽ/י׃
STATEN
En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijn liefde.
הַפְקֵ֣ד עָלָ֣י/ו רָשָׁ֑ע וְ֝/שָׂטָ֗ן יַעֲמֹ֥ד עַל יְמִינֽ/וֹ־׃
STATEN
Stel een goddeloze over hem, en de satan sta aan zijn rechterhand.
בְּ֭/הִשָּׁ֣פְט/וֹ יֵצֵ֣א רָשָׁ֑ע וּ֝/תְפִלָּת֗/וֹ תִּהְיֶ֥ה לַֽ/חֲטָאָֽה׃
STATEN
Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.
יִֽהְיֽוּ יָמָ֥י/ו מְעַטִּ֑ים פְּ֝קֻדָּת֗/וֹ יִקַּ֥ח אַחֵֽר־׃
STATEN
Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;
יִֽהְיוּ בָנָ֥י/ו יְתוֹמִ֑ים וְ֝/אִשְׁתּ/וֹ אַלְמָנָֽה־׃
STATEN
Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe.
וְ/נ֤וֹעַ יָנ֣וּעוּ בָנָ֣י/ו וְ/שִׁאֵ֑לוּ וְ֝/דָרְשׁ֗וּ מֵ/חָרְבוֹתֵי/הֶֽם׃
STATEN
En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.
יְנַקֵּ֣שׁ נ֭וֹשֶׁה לְ/כָל אֲשֶׁר ל֑/וֹ וְ/יָבֹ֖זּוּ זָרִ֣ים יְגִיעֽ/וֹ־־׃
STATEN
Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.
אַל יְהִי ל֭/וֹ מֹשֵׁ֣ךְ חָ֑סֶד וְֽ/אַל יְהִ֥י ח֝וֹנֵ֗ן לִ/יתוֹמָֽי/ו־־־׃
STATEN
Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.