KETUVIM

Psalmen 115

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לֹ֤א לָ֥/נוּ יְהוָ֗ה לֹ֫א לָ֥/נוּ כִּֽי לְ֭/שִׁמְ/ךָ תֵּ֣ן כָּב֑וֹד עַל חַ֝סְדְּ/ךָ֗ עַל אֲמִתֶּֽ/ךָ
STATEN

Niet ons, o HEERE! niet ons, maar Uw Naam geef eer, om Uwer goedertierenheid, om Uwer waarheid wil.

2
לָ֭/מָּה יֹאמְר֣וּ הַ/גּוֹיִ֑ם אַיֵּה נָ֝֗א אֱלֹהֵי/הֶֽם
STATEN

Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?

3
וֵֽ/אלֹהֵ֥י/נוּ בַ/שָּׁמָ֑יִם כֹּ֭ל אֲשֶׁר חָפֵ֣ץ עָשָֽׂה
STATEN

Onze God is toch in den hemel, Hij doet al wat Hem behaagt.

4
עֲֽ֭צַבֵּי/הֶם כֶּ֣סֶף וְ/זָהָ֑ב מַ֝עֲשֵׂ֗ה יְדֵ֣י אָדָֽם
STATEN

Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van des mensen handen;

5
פֶּֽה לָ֭/הֶם וְ/לֹ֣א יְדַבֵּ֑רוּ עֵינַ֥יִם לָ֝/הֶ֗ם וְ/לֹ֣א יִרְאֽוּ
STATEN

Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;

6
אָזְנַ֣יִם לָ֭/הֶם וְ/לֹ֣א יִשְׁמָ֑עוּ אַ֥ף לָ֝/הֶ֗ם וְ/לֹ֣א יְרִיחֽוּ/ן
STATEN

Oren hebben zij, maar horen niet; zij hebben een neus, maar zij rieken niet;

7
יְדֵי/הֶ֤ם וְ/לֹ֬א יְמִישׁ֗וּ/ן רַ֭גְלֵי/הֶם וְ/לֹ֣א יְהַלֵּ֑כוּ לֹֽא יֶ֝הְגּ֗וּ בִּ/גְרוֹנָֽ/ם
STATEN

Hun handen hebben zij, maar tasten niet; hun voeten, maar gaan niet; zij geven geen geluid door hun keel.

8
כְּ֭מוֹ/הֶם יִהְי֣וּ עֹשֵׂי/הֶ֑ם כֹּ֭ל אֲשֶׁר בֹּטֵ֣חַ בָּ/הֶֽם
STATEN

Dat die hen maken hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.

9
יִ֭שְׂרָאֵל בְּטַ֣ח בַּ/יהוָ֑ה עֶזְרָ֖/ם וּ/מָגִנָּ֣/ם הֽוּא
STATEN

Israël! vertrouw gij op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.

10
בֵּ֣ית אַ֭הֲרֹן בִּטְח֣וּ בַ/יהוָ֑ה עֶזְרָ֖/ם וּ/מָגִנָּ֣/ם הֽוּא
STATEN

Gij huis van Aäron! vertrouw op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.

11
יִרְאֵ֣י יְ֭הוָה בִּטְח֣וּ בַ/יהוָ֑ה עֶזְרָ֖/ם וּ/מָגִנָּ֣/ם הֽוּא
STATEN

Gijlieden, die den HEERE vreest! vertrouwt op den HEERE; Hij is hun Hulp en hun Schild.

12
יְהוָה֮ זְכָרָ֪/נוּ יְבָ֫רֵ֥ךְ יְ֭בָרֵךְ אֶת בֵּ֣ית יִשְׂרָאֵ֑ל יְ֝בָרֵ֗ךְ אֶת בֵּ֥ית אַהֲרֹֽן
STATEN

De HEERE is onzer gedachtig geweest, Hij zal zegenen; Hij zal het huis van Israël zegenen, Hij zal het huis van Aäron zegenen.

13
יְ֭בָרֵךְ יִרְאֵ֣י יְהוָ֑ה הַ֝/קְּטַנִּ֗ים עִם הַ/גְּדֹלִֽים
STATEN

Hij zal zegenen, die den HEERE vrezen, de kleinen met de groten.

14
יֹסֵ֣ף יְהוָ֣ה עֲלֵי/כֶ֑ם עֲ֝לֵי/כֶ֗ם וְ/עַל בְּנֵי/כֶֽם
STATEN

De HEERE zal den zegen over ulieden vermeerderen, over ulieden en over uw kinderen.

15
בְּרוּכִ֣ים אַ֭תֶּם לַ/יהוָ֑ה עֹ֝שֵׂ֗ה שָׁמַ֥יִם וָ/אָֽרֶץ
STATEN

Gijlieden zijt den HEERE gezegend, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft.

16
הַ/שָּׁמַ֣יִם שָׁ֭מַיִם לַ/יהוָ֑ה וְ֝/הָ/אָ֗רֶץ נָתַ֥ן לִ/בְנֵי אָדָֽם
STATEN

Aangaande den hemel, de hemel is des HEEREN; maar de aarde heeft Hij den mensenkinderen gegeven.

17
לֹ֣א הַ֭/מֵּתִים יְהַֽלְלוּ יָ֑הּ וְ֝/לֹ֗א כָּל יֹרְדֵ֥י דוּמָֽה
STATEN

De doden zullen den HEERE niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn.

18
וַ/אֲנַ֤חְנוּ נְבָ֘רֵ֤ךְ יָ֗הּ מֵֽ/עַתָּ֥ה וְ/עַד עוֹלָ֗ם הַֽלְלוּ יָֽהּ
STATEN

Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!