KETUVIM

Psalmen 126

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
שִׁ֗יר הַֽ/מַּ֫עֲל֥וֹת בְּ/שׁ֣וּב יְ֭הוָה אֶת שִׁיבַ֣ת צִיּ֑וֹן הָ֝יִ֗ינוּ כְּ/חֹלְמִֽים
STATEN

Een lied Hammaälôth. Als de HEERE de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen, die dromen.

2
אָ֤ז יִמָּלֵ֪א שְׂח֡וֹק פִּי/נוּ֮ וּ/לְשׁוֹנֵ֪/נוּ רִ֫נָּ֥ה אָ֭ז יֹאמְר֣וּ בַ/גּוֹיִ֑ם הִגְדִּ֥יל יְ֝הוָ֗ה לַ/עֲשׂ֥וֹת עִם אֵֽלֶּה
STATEN

Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De HEERE heeft grote dingen aan dezen gedaan.

3
הִגְדִּ֣יל יְ֭הוָה לַ/עֲשׂ֥וֹת עִמָּ֗/נוּ הָיִ֥ינוּ שְׂמֵחִֽים
STATEN

De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.

4
שׁוּבָ֣/ה יְ֭הוָה אֶת שבות/נו כַּ/אֲפִיקִ֥ים בַּ/נֶּֽגֶב שְׁבִיתֵ֑/נוּ
STATEN

O HEERE! wend onze gevangenis, gelijk waterstromen in het zuiden.

5
הַ/זֹּרְעִ֥ים בְּ/דִמְעָ֗ה בְּ/רִנָּ֥ה יִקְצֹֽרוּ
STATEN

Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.

6
הָ֘ל֤וֹךְ יֵלֵ֨ךְ וּ/בָכֹה֮ נֹשֵׂ֪א מֶֽשֶׁךְ הַ֫/זָּ֥רַע בֹּֽ֬א יָב֥וֹא בְ/רִנָּ֑ה נֹ֝שֵׂ֗א אֲלֻמֹּתָֽי/ו
STATEN

Die het zaad draagt, dat men zaaien zal, gaat al gaande en wenende; maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijn schoven.