1
שִׁ֥יר הַֽ/מַּעֲל֑וֹת מִ/מַּעֲמַקִּ֖ים קְרָאתִ֣י/ךָ יְהוָֽה
STATEN
Een lied Hammaälôth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!
Een lied Hammaälôth. Uit de diepten roep ik tot U, o HEERE!
Heere! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.
Zo Gij, HEERE! de ongerechtigheden gadeslaat; Heere! wie zal bestaan?
Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
Ik verwacht den HEERE; mijn ziel verwacht, en ik hoop op Zijn Woord.
Mijn ziel wacht op den Heere, meer dan de wachters op den morgen; de wachters op den morgen.
Israël hope op den HEERE; want bij den HEERE is goedertierenheid, en bij Hem is veel verlossing.
En Hij zal Israël verlossen van al zijn ongerechtigheden.