KETUVIM

Psalmen 135

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
הַ֥לְלוּ יָ֨הּ הַֽ֭לְלוּ אֶת שֵׁ֣ם יְהוָ֑ה הַֽ֝לְלוּ עַבְדֵ֥י יְהוָֽה
STATEN

Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!

2
שֶׁ֣֭/עֹֽמְדִים בְּ/בֵ֣ית יְהוָ֑ה בְּ֝/חַצְר֗וֹת בֵּ֣ית אֱלֹהֵֽי/נוּ
STATEN

Gij, die staat in het huis des HEEREN, in de voorhoven van het huis onzes Gods!

3
הַֽ֭לְלוּ יָהּ כִּי ט֣וֹב יְהוָ֑ה זַמְּר֥וּ לִ֝/שְׁמ֗/וֹ כִּ֣י נָעִֽים
STATEN

Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.

4
כִּֽי יַעֲקֹ֗ב בָּחַ֣ר ל֣/וֹ יָ֑הּ יִ֝שְׂרָאֵ֗ל לִ/סְגֻלָּתֽ/וֹ
STATEN

Want de HEERE heeft Zich Jakob verkoren, Israël tot Zijn eigendom.

5
כִּ֤י אֲנִ֣י יָ֭דַעְתִּי כִּי גָד֣וֹל יְהוָ֑ה וַ֝/אֲדֹנֵ֗י/נוּ מִ/כָּל אֱלֹהִֽים
STATEN

Want ik weet, dat de HEERE groot is, en dat onze Heere boven alle goden is.

6
כֹּ֤ל אֲשֶׁר חָפֵ֥ץ יְהוָ֗ה עָ֫שָׂ֥ה בַּ/שָּׁמַ֥יִם וּ/בָ/אָ֑רֶץ בַּ֝/יַּמִּ֗ים וְ/כָל תְּהוֹמֽוֹת
STATEN

Al wat den HEERE behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden.

7
מַֽעֲלֶ֣ה נְשִׂאִים֮ מִ/קְצֵ֪ה הָ֫/אָ֥רֶץ בְּרָקִ֣ים לַ/מָּטָ֣ר עָשָׂ֑ה מֽוֹצֵא ר֝וּחַ מֵ/אֽוֹצְרוֹתָֽי/ו
STATEN

Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.

8
שֶֽׁ֭/הִכָּה בְּכוֹרֵ֣י מִצְרָ֑יִם מֵ֝/אָדָ֗ם עַד בְּהֵמָֽה
STATEN

Die de eerstgeborenen van Egypte sloeg, van den mens af tot het vee toe.

9
שָׁלַ֤ח אֹת֣וֹת וּ֭/מֹפְתִים בְּ/תוֹכֵ֣/כִי מִצְרָ֑יִם בְּ֝/פַרְעֹ֗ה וּ/בְ/כָל עֲבָדָֽי/ו
STATEN

Hij zond tekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte! tegen Faraö en tegen al zijn knechten.

10
שֶֽׁ֭/הִכָּה גּוֹיִ֣ם רַבִּ֑ים וְ֝/הָרַ֗ג מְלָכִ֥ים עֲצוּמִֽים
STATEN

Die veel volken sloeg, en machtige koningen doodde;

11
לְ/סִיח֤וֹן מֶ֤לֶךְ הָ/אֱמֹרִ֗י וּ֭/לְ/עוֹג מֶ֣לֶךְ הַ/בָּשָׁ֑ן וּ֝/לְ/כֹ֗ל מַמְלְכ֥וֹת כְּנָֽעַן
STATEN

Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaän,

12
וְ/נָתַ֣ן אַרְצָ֣/ם נַחֲלָ֑ה נַ֝חֲלָ֗ה לְ/יִשְׂרָאֵ֥ל עַמּֽ/וֹ
STATEN

En Hij gaf hun land ten erve, ten erve aan Zijn volk Israël.

13
יְ֭הוָה שִׁמְ/ךָ֣ לְ/עוֹלָ֑ם יְ֝הוָ֗ה זִכְרְ/ךָ֥ לְ/דֹר וָ/דֹֽר
STATEN

O HEERE! Uw Naam is in eeuwigheid; HEERE! Uw gedachtenis is van geslacht tot geslacht.

14
כִּֽי יָדִ֣ין יְהוָ֣ה עַמּ֑/וֹ וְ/עַל עֲ֝בָדָ֗י/ו יִתְנֶחָֽם
STATEN

Want de HEERE zal Zijn volk richten, en het zal Hem berouwen over Zijn knechten.

15
עֲצַבֵּ֣י הַ֭/גּוֹיִם כֶּ֣סֶף וְ/זָהָ֑ב מַ֝עֲשֵׂ֗ה יְדֵ֣י אָדָֽם
STATEN

De afgoden der heidenen zijn zilver en goud, een werk van mensenhanden.

16
פֶּֽה לָ֭/הֶם וְ/לֹ֣א יְדַבֵּ֑רוּ עֵינַ֥יִם לָ֝/הֶ֗ם וְ/לֹ֣א יִרְאֽוּ
STATEN

Zij hebben een mond, maar spreken niet; zij hebben ogen, maar zien niet;

17
אָזְנַ֣יִם לָ֭/הֶם וְ/לֹ֣א יַאֲזִ֑ינוּ אַ֝֗ף אֵין יֶשׁ ר֥וּחַ בְּ/פִי/הֶֽם
STATEN

Oren hebben zij, maar horen niet; ook is er geen adem in hun mond.

18
כְּ֭מוֹ/הֶם יִהְי֣וּ עֹשֵׂי/הֶ֑ם כֹּ֭ל אֲשֶׁר בֹּטֵ֣חַ בָּ/הֶֽם
STATEN

Dat die ze maken, hun gelijk worden, en al wie op hen vertrouwt.

19
בֵּ֣ית יִ֭שְׂרָאֵל בָּרֲכ֣וּ אֶת יְהוָ֑ה בֵּ֥ית אַ֝הֲרֹ֗ן בָּרֲכ֥וּ אֶת יְהוָֽה
STATEN

Gij huis Israëls! looft den HEERE; gij huis Aärons! looft den HEERE.

20
בֵּ֣ית הַ֭/לֵּוִי בָּרֲכ֣וּ אֶת יְהוָ֑ה יִֽרְאֵ֥י יְ֝הוָ֗ה בָּרֲכ֥וּ אֶת יְהוָֽה
STATEN

Gij huis van Levi! looft den HEERE; gij die den HEERE vreest! looft den HEERE.

21
בָּ֘ר֤וּךְ יְהוָ֨ה מִ/צִּיּ֗וֹן שֹׁ֘כֵ֤ן יְֽרוּשָׁלִָ֗ם הַֽלְלוּ יָֽהּ
STATEN

Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!