KETUVIM
Psalmen 135
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
הַ֥לְלוּ יָ֨הּ הַֽ֭לְלוּ אֶת שֵׁ֣ם יְהוָ֑ה הַֽ֝לְלוּ עַבְדֵ֥י יְהוָֽה׀־׃
STATEN
Hallelujah! Prijst den Naam des HEEREN, prijst Hem, gij knechten des HEEREN!
שֶׁ֣֭/עֹֽמְדִים בְּ/בֵ֣ית יְהוָ֑ה בְּ֝/חַצְר֗וֹת בֵּ֣ית אֱלֹהֵֽי/נוּ׃
STATEN
Gij, die staat in het huis des HEEREN, in de voorhoven van het huis onzes Gods!
הַֽ֭לְלוּ יָהּ כִּי ט֣וֹב יְהוָ֑ה זַמְּר֥וּ לִ֝/שְׁמ֗/וֹ כִּ֣י נָעִֽים־־׃
STATEN
Looft den HEERE, want de HEERE is goed; psalmzingt Zijn Naam, want Hij is liefelijk.
כִּֽי יַעֲקֹ֗ב בָּחַ֣ר ל֣/וֹ יָ֑הּ יִ֝שְׂרָאֵ֗ל לִ/סְגֻלָּתֽ/וֹ־׃
STATEN
Want de HEERE heeft Zich Jakob verkoren, Israël tot Zijn eigendom.
כִּ֤י אֲנִ֣י יָ֭דַעְתִּי כִּי גָד֣וֹל יְהוָ֑ה וַ֝/אֲדֹנֵ֗י/נוּ מִ/כָּל אֱלֹהִֽים־־׃
STATEN
Want ik weet, dat de HEERE groot is, en dat onze Heere boven alle goden is.
כֹּ֤ל אֲשֶׁר חָפֵ֥ץ יְהוָ֗ה עָ֫שָׂ֥ה בַּ/שָּׁמַ֥יִם וּ/בָ/אָ֑רֶץ בַּ֝/יַּמִּ֗ים וְ/כָל תְּהוֹמֽוֹת־־׃
STATEN
Al wat den HEERE behaagt, doet Hij, in de hemelen, en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden.
מַֽעֲלֶ֣ה נְשִׂאִים֮ מִ/קְצֵ֪ה הָ֫/אָ֥רֶץ בְּרָקִ֣ים לַ/מָּטָ֣ר עָשָׂ֑ה מֽוֹצֵא ר֝וּחַ מֵ/אֽוֹצְרוֹתָֽי/ו־׃
STATEN
Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.
שֶֽׁ֭/הִכָּה בְּכוֹרֵ֣י מִצְרָ֑יִם מֵ֝/אָדָ֗ם עַד בְּהֵמָֽה־׃
STATEN
Die de eerstgeborenen van Egypte sloeg, van den mens af tot het vee toe.
שָׁלַ֤ח אֹת֣וֹת וּ֭/מֹפְתִים בְּ/תוֹכֵ֣/כִי מִצְרָ֑יִם בְּ֝/פַרְעֹ֗ה וּ/בְ/כָל עֲבָדָֽי/ו׀־׃
STATEN
Hij zond tekenen en wonderen in het midden van u, o Egypte! tegen Faraö en tegen al zijn knechten.
שֶֽׁ֭/הִכָּה גּוֹיִ֣ם רַבִּ֑ים וְ֝/הָרַ֗ג מְלָכִ֥ים עֲצוּמִֽים׃
STATEN
Die veel volken sloeg, en machtige koningen doodde;
לְ/סִיח֤וֹן מֶ֤לֶךְ הָ/אֱמֹרִ֗י וּ֭/לְ/עוֹג מֶ֣לֶךְ הַ/בָּשָׁ֑ן וּ֝/לְ/כֹ֗ל מַמְלְכ֥וֹת כְּנָֽעַן׀׃
STATEN
Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaän,
וְ/נָתַ֣ן אַרְצָ֣/ם נַחֲלָ֑ה נַ֝חֲלָ֗ה לְ/יִשְׂרָאֵ֥ל עַמּֽ/וֹ׃
STATEN
En Hij gaf hun land ten erve, ten erve aan Zijn volk Israël.