Ga naar inhoud
KETUVIM

Psalmen 141

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150151
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
מִזְמ֗וֹר לְ/דָ֫וִ֥ד יְהוָ֣ה קְ֭רָאתִי/ךָ ח֣וּשָׁ/ה לִּ֑/י הַאֲזִ֥ינָ/ה ק֝וֹלִ֗/י בְּ/קָרְאִ/י לָֽ/ךְ־׃
STATEN

Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.

2
תִּכּ֤וֹן תְּפִלָּתִ֣/י קְטֹ֣רֶת לְ/פָנֶ֑י/ךָ מַֽשְׂאַ֥ת כַּ֝פַּ֗/י מִנְחַת עָֽרֶב־׃
STATEN

Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer.

3
שִׁיתָ֣/ה יְ֭הוָה שָׁמְרָ֣ה לְ/פִ֑/י נִ֝צְּרָ֗/ה עַל דַּ֥ל שְׂפָתָֽ/י־׃
STATEN

HEERE! zet een wacht voor mijn mond, behoed de deur mijner lippen.

4
אַל תַּט לִבִּ֨/י לְ/דָבָ֪ר רָ֡ע לְ/הִתְע֘וֹלֵ֤ל עֲלִל֨וֹת בְּ/רֶ֗שַׁע אֶת אִישִׁ֥ים פֹּֽעֲלֵי אָ֑וֶן וּ/בַל אֶ֝לְחַ֗ם בְּ/מַנְעַמֵּי/הֶֽם־־׀׀־־־׃
STATEN

Neig mijn hart niet tot een kwade zaak, om enigen handel in goddeloosheid te handelen, met mannen, die ongerechtigheid werken; en dat ik niet ete van hun lekkernijen.

5
יֶֽהֶלְמֵֽ/נִי צַדִּ֨יק חֶ֡סֶד וְֽ/יוֹכִיחֵ֗/נִי שֶׁ֣מֶן רֹ֭אשׁ אַל יָנִ֣י רֹאשִׁ֑/י כִּי ע֥וֹד וּ֝/תְפִלָּתִ֗/י בְּ/רָעוֹתֵי/הֶֽם־׀־־׃
STATEN

De rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn; en hij bestraffe mij, het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hun tegenspoeden.

6
נִשְׁמְט֣וּ בִֽ/ידֵי סֶ֭לַע שֹׁפְטֵי/הֶ֑ם וְ/שָׁמְע֥וּ אֲ֝מָרַ֗/י כִּ֣י נָעֵֽמוּ־׃
STATEN

Hun rechters zijn aan de zijden der steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijn redenen, dat zij aangenaam waren.

7
כְּמ֤וֹ פֹלֵ֣חַ וּ/בֹקֵ֣עַ בָּ/אָ֑רֶץ נִפְזְר֥וּ עֲ֝צָמֵ֗י/נוּ לְ/פִ֣י שְׁאֽוֹל׃
STATEN

Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had.

8
כִּ֤י אֵלֶ֨י/ךָ יְהֹוִ֣ה אֲדֹנָ֣/י עֵינָ֑/י בְּ/כָ֥ה חָ֝סִ֗יתִי אַל תְּעַ֥ר נַפְשִֽׁ/י׀־׃
STATEN

Doch op U zijn mijn ogen, HEERE, Heere! op U betrouw ik, ontbloot mijn ziel niet.

9
שָׁמְרֵ֗/נִי מִ֣/ידֵי פַ֭ח יָ֣קְשׁוּ לִ֑/י וּ֝/מֹקְשׁ֗וֹת פֹּ֣עֲלֵי אָֽוֶן׃
STATEN

Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.

10
יִפְּל֣וּ בְ/מַכְמֹרָ֣י/ו רְשָׁעִ֑ים יַ֥חַד אָ֝נֹכִ֗י עַֽד אֶעֱבֽוֹר־׃
STATEN

Dat de goddelozen elk in zijn garen vallen, te zamen, totdat ik zal zijn voorbijgegaan.

Op De Naamdragers

Blogs over Psalmen 141

Nog geen artikelen die specifiek naar Psalmen 141 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →