KETUVIM

Psalmen 144

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לְ/דָוִ֨ד בָּ֘ר֤וּךְ יְהוָ֨ה צוּרִ֗/י הַֽ/מְלַמֵּ֣ד יָדַ֣/י לַ/קְרָ֑ב אֶ֝צְבְּעוֹתַ֗/י לַ/מִּלְחָמָֽה
STATEN

Een psalm van David. Gezegend zij de HEERE, mijn Rotssteen, Die mijn handen onderwijst ten strijde, mijn vingeren ten oorlog;

2
חַסְדִּ֥/י וּ/מְצוּדָתִ/י֮ מִשְׂגַּבִּ֪/י וּֽ/מְפַלְטִ֫/י לִ֥/י מָ֭גִנִּ/י וּ/ב֣/וֹ חָסִ֑יתִי הָ/רוֹדֵ֖ד עַמִּ֣/י תַחְתָּֽ/י
STATEN

Mijn Goedertierenheid en mijn Burg, mijn Hoog Vertrek en mijn Bevrijder voor mij, mijn Schild, en op Wien ik mij betrouwe; Die mijn volk aan mij onderwerpt!

3
יְֽהוָ֗ה מָה אָ֭דָם וַ/תֵּדָעֵ֑/הוּ בֶּן אֱ֝נ֗וֹשׁ וַֽ/תְּחַשְּׁבֵֽ/הוּ
STATEN

O HEERE! wat is de mens, dat Gij hem kent, het kind des mensen, dat Gij het acht?

4
אָ֭דָם לַ/הֶ֣בֶל דָּמָ֑ה יָ֝מָ֗י/ו כְּ/צֵ֣ל עוֹבֵֽר
STATEN

De mens is der ijdelheid gelijk; zijn dagen zijn als een voorbijgaande schaduw.

5
יְ֭הוָה הַט שָׁמֶ֣י/ךָ וְ/תֵרֵ֑ד גַּ֖ע בֶּ/הָרִ֣ים וְֽ/יֶעֱשָֽׁנוּ
STATEN

Neig Uw hemelen, HEERE! en daal neder; raak de bergen aan, dat zij roken.

6
בְּר֣וֹק בָּ֭רָק וּ/תְפִיצֵ֑/ם שְׁלַ֥ח חִ֝צֶּ֗י/ךָ וּ/תְהֻמֵּֽ/ם
STATEN

Bliksem bliksem, en verstrooi hen; zend Uw pijlen uit, en verdoe hen.

7
שְׁלַ֥ח יָדֶ֗י/ךָ מִ/מָּ֫ר֥וֹם פְּצֵ֣/נִי וְ֭/הַצִּילֵ/נִי מִ/מַּ֣יִם רַבִּ֑ים מִ֝/יַּ֗ד בְּנֵ֣י נֵכָֽר
STATEN

Steek Uw handen van de hoogte uit; ontzet mij, en ruk mij uit de grote wateren, uit de hand der vreemden;

8
אֲשֶׁ֣ר פִּ֭י/הֶם דִּבֶּר שָׁ֑וְא וִֽ֝/ימִינָ֗/ם יְמִ֣ין שָֽׁקֶר
STATEN

Welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid.

9
אֱֽלֹהִ֗ים שִׁ֣יר חָ֭דָשׁ אָשִׁ֣ירָה לָּ֑/ךְ בְּ/נֵ֥בֶל עָ֝שׂ֗וֹר אֲזַמְּרָה לָּֽ/ךְ
STATEN

O God! ik zal U een nieuw lied zingen; met de luit en het tiensnarig instrument zal ik U psalmzingen.

10
הַ/נּוֹתֵ֥ן תְּשׁוּעָ֗ה לַ/מְּלָ֫כִ֥ים הַ֭/פּוֹצֶה אֶת דָּוִ֥ד עַבְדּ֗/וֹ מֵ/חֶ֥רֶב רָעָֽה
STATEN

Gij, Die den koningen overwinning geeft, Die Zijn knecht David ontzet van het boze zwaard;

11
פְּצֵ֥/נִי וְ/הַצִּילֵ/נִי֮ מִ/יַּ֪ד בְּֽנֵי נֵ֫כָ֥ר אֲשֶׁ֣ר פִּ֭י/הֶם דִּבֶּר שָׁ֑וְא וִֽ֝/ימִינָ֗/ם יְמִ֣ין שָֽׁקֶר
STATEN

Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;

12
אֲשֶׁ֤ר בָּנֵ֨י/נוּ כִּ/נְטִעִים֮ מְגֻדָּלִ֪ים בִּֽ/נְעוּרֵ֫י/הֶ֥ם בְּנוֹתֵ֥י/נוּ כְ/זָוִיֹּ֑ת מְ֝חֻטָּב֗וֹת תַּבְנִ֥ית הֵיכָֽל
STATEN

Opdat onze zonen zijn als planten, welke groot geworden zijn in hun jeugd; onze dochter als hoekstenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis.

13
מְזָוֵ֣י/נוּ מְלֵאִים֮ מְפִיקִ֥ים מִ/זַּ֗ן אֶ֫ל זַ֥ן צֹאונֵ֣/נוּ מַ֭אֲלִיפוֹת מְרֻבָּב֗וֹת בְּ/חוּצוֹתֵֽי/נוּ
STATEN

Dat onze winkelen vol zijnde, den enen voorraad na den anderen uitgeven; dat onze kudden bij duizenden werpen, ja, bij tienduizenden op onze hoeven vermenigvuldigen.

14
אַלּוּפֵ֗י/נוּ מְֽסֻבָּ֫לִ֥ים אֵֽין פֶּ֭רֶץ וְ/אֵ֣ין יוֹצֵ֑את וְ/אֵ֥ין צְ֝וָחָ֗ה בִּ/רְחֹבֹתֵֽי/נוּ
STATEN

Dat onze ossen wel geladen zijn; dat geen inbreuk, noch uitval, noch gekrijs zij op onze straten.

15
אַשְׁרֵ֣י הָ֭/עָם שֶׁ/כָּ֣כָה לּ֑/וֹ אַֽשְׁרֵ֥י הָ֝/עָ֗ם שֶׁ/יֲהוָ֥ה אֱלֹהָֽי/ו
STATEN

Welgelukzalig is het volk, dien het alzo gaat; welgelukzalig, is het volk, wiens God de HEERE is.