KETUVIM

Psalmen 149

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
הַ֥לְלוּ יָ֨הּ שִׁ֣ירוּ לַֽ֭/יהוָה שִׁ֣יר חָדָ֑שׁ תְּ֝הִלָּת֗/וֹ בִּ/קְהַ֥ל חֲסִידִֽים
STATEN

Hallelujah! Zingt den HEERE een nieuw lied; Zijn lof zij in de Gemeente Zijner gunstgenoten.

2
יִשְׂמַ֣ח יִשְׂרָאֵ֣ל בְּ/עֹשָׂ֑י/ו בְּנֵֽי צִ֝יּ֗וֹן יָגִ֥ילוּ בְ/מַלְכָּֽ/ם
STATEN

Dat Israël zich verblijde in Dengene, Die hem gemaakt heeft; dat de kinderen Sions zich verheugen over hun Koning.

3
יְהַֽלְל֣וּ שְׁמ֣/וֹ בְ/מָח֑וֹל בְּ/תֹ֥ף וְ֝/כִנּ֗וֹר יְזַמְּרוּ לֽ/וֹ
STATEN

Dat zij Zijn Naam loven op de fluit; dat zij Hem psalmzingen op de trommel en harp.

4
כִּֽי רוֹצֶ֣ה יְהוָ֣ה בְּ/עַמּ֑/וֹ יְפָאֵ֥ר עֲ֝נָוִ֗ים בִּ/ישׁוּעָֽה
STATEN

Want de HEERE heeft een welgevallen aan Zijn volk; Hij zal de zachtmoedigen versieren met heil.

5
יַעְלְז֣וּ חֲסִידִ֣ים בְּ/כָב֑וֹד יְ֝רַנְּנ֗וּ עַל מִשְׁכְּבוֹתָֽ/ם
STATEN

Dat Zijn gunstgenoten van vreugde opspringen, om die eer; dat zij juichen op hun legers.

6
רוֹמְמ֣וֹת אֵ֭ל בִּ/גְרוֹנָ֑/ם וְ/חֶ֖רֶב פִּֽיפִיּ֣וֹת בְּ/יָדָֽ/ם
STATEN

De verheffingen Gods zullen in hun keel zijn; en een tweesnijdend zwaard in hun hand;

7
לַ/עֲשׂ֣וֹת נְ֭קָמָה בַּ/גּוֹיִ֑ם תּֽ֝וֹכֵחֹ֗ת בַּל אֻמִּֽים
STATEN

Om wraak te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken;

8
לֶ/אְסֹ֣ר מַלְכֵי/הֶ֣ם בְּ/זִקִּ֑ים וְ֝/נִכְבְּדֵי/הֶ֗ם בְּ/כַבְלֵ֥י בַרְזֶֽל
STATEN

Om hun koningen te binden met ketenen, en hun achtbaren met ijzeren boeien;

9
לַ/עֲשׂ֤וֹת בָּ/הֶ֨ם מִשְׁפָּ֬ט כָּת֗וּב הָדָ֣ר ה֭וּא לְ/כָל חֲסִידָ֗י/ו הַֽלְלוּ יָֽהּ
STATEN

Om het beschreven recht over hen te doen. Dit zal de heerlijkheid van al Zijn gunstgenoten zijn. Hallelujah!