KETUVIM

Psalmen 17

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
תְּפִלָּ֗ה לְ/דָ֫וִ֥ד שִׁמְעָ֤/ה יְהוָ֨ה צֶ֗דֶק הַקְשִׁ֥יבָ/ה רִנָּתִ֗/י הַאֲזִ֥ינָ/ה תְפִלָּתִ֑/י בְּ֝/לֹ֗א שִׂפְתֵ֥י מִרְמָֽה
STATEN

Een gebed van David. HEERE! hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter ore mijn gebed, met onbedriegelijke lippen gesproken.

2
מִ֭/לְּ/פָנֶי/ךָ מִשְׁפָּטִ֣/י יֵצֵ֑א עֵ֝ינֶ֗י/ךָ תֶּחֱזֶ֥ינָה מֵישָׁרִֽים
STATEN

Laat mijn recht van voor Uw aangezicht uitgaan, laat Uw ogen de billijkheden aanschouwen.

3
בָּ֘חַ֤נְתָּ לִבִּ֨/י פָּ֘קַ֤דְתָּ לַּ֗יְלָה צְרַפְתַּ֥/נִי בַל תִּמְצָ֑א זַ֝מֹּתִ֗י בַּל יַעֲבָר פִּֽ/י
STATEN

Gij hebt mijn hart geproefd, des nachts bezocht, Gij hebt mij getoetst. Gij vindt niets; hetgeen ik gedacht heb, overtreedt mijn mond niet.

4
לִ/פְעֻלּ֣וֹת אָ֭דָם בִּ/דְבַ֣ר שְׂפָתֶ֑י/ךָ אֲנִ֥י שָׁ֝מַ֗רְתִּי אָרְח֥וֹת פָּרִֽיץ
STATEN

Aangaande de handelingen des mensen, ik heb mij, naar het woord Uwer lippen, gewacht voor de paden des inbrekers;

5
תָּמֹ֣ךְ אֲ֭שֻׁרַ/י בְּ/מַעְגְּלוֹתֶ֑י/ךָ בַּל נָמ֥וֹטּוּ פְעָמָֽ/י
STATEN

Houdende mijn gangen in Uw sporen, opdat mijn voetstappen niet zouden wankelen.

6
אֲנִֽי קְרָאתִ֣י/ךָ כִֽי תַעֲנֵ֣/נִי אֵ֑ל הַֽט אָזְנְ/ךָ֥ לִ֝֗/י שְׁמַ֣ע אִמְרָתִֽ/י
STATEN

Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.

7
הַפְלֵ֣ה חֲ֭סָדֶי/ךָ מוֹשִׁ֣יעַ חוֹסִ֑ים מִ֝/מִּתְקוֹמְמִ֗ים בִּֽ/ימִינֶֽ/ךָ
STATEN

Maak Uw weldadigheden wonderbaar, Gij, Die verlost degenen, die op U betrouwen, van degenen, die tegen Uw rechterhand opstaan!

8
שָׁ֭מְרֵ/נִי כְּ/אִישׁ֣וֹן בַּת עָ֑יִן בְּ/צֵ֥ל כְּ֝נָפֶ֗י/ךָ תַּסְתִּירֵֽ/נִי
STATEN

Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduw Uwer vleugelen,

9
מִ/פְּנֵ֣י רְ֭שָׁעִים ז֣וּ שַׁדּ֑וּ/נִי אֹיְבַ֥/י בְּ֝/נֶ֗פֶשׁ יַקִּ֥יפוּ עָלָֽ/י
STATEN

Voor het aangezicht der goddelozen, die mij verwoesten, mijner doodsvijanden, die mij omringen.

10
חֶלְבָּ֥/מוֹ סָּגְר֑וּ פִּ֝֗י/מוֹ דִּבְּר֥וּ בְ/גֵאֽוּת
STATEN

Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.

11
אַ֭שֻּׁרֵי/נוּ עַתָּ֣ה סבבו/ני עֵינֵי/הֶ֥ם יָ֝שִׁ֗יתוּ לִ/נְט֥וֹת בָּ/אָֽרֶץ סְבָב֑וּ/נוּ
STATEN

In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.

12
דִּמְיֹנ֗/וֹ כְּ֭/אַרְיֵה יִכְס֣וֹף לִ/טְר֑וֹף וְ֝/כִ/כְפִ֗יר יֹשֵׁ֥ב בְּ/מִסְתָּרִֽים
STATEN

Hij is gelijk als een leeuw, die begeert te roven, en als een jonge leeuw, zittende in verborgen plaatsen.

13
קוּמָ֤/ה יְהוָ֗ה קַדְּמָ֣/ה פָ֭נָי/ו הַכְרִיעֵ֑/הוּ פַּלְּטָ֥/ה נַ֝פְשִׁ֗/י מֵ/רָשָׁ֥ע חַרְבֶּֽ/ךָ
STATEN

Sta op, HEERE, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijn ziel met Uw zwaard van den goddeloze;

14
מִֽ/מְתִ֥ים יָדְ/ךָ֨ יְהוָ֡ה מִֽ/מְתִ֬ים מֵ/חֶ֗לֶד חֶלְקָ֥/ם בַּֽ/חַיִּים֮ ו/צפינ/ך תְּמַלֵּ֪א בִ֫טְנָ֥/ם יִשְׂבְּע֥וּ בָנִ֑ים וְ/הִנִּ֥יחוּ יִ֝תְרָ֗/ם לְ/עוֹלְלֵי/הֶֽם וּֽ/צְפוּנְ/ךָ֮
STATEN

Met Uw hand van de lieden, o HEERE! van de lieden, die van de wereld zijn, welker deel in dit leven is, welker buik Gij vervult met Uw verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hun kinderkens achter.

15
אֲנִ֗י בְּ֭/צֶדֶק אֶחֱזֶ֣ה פָנֶ֑י/ךָ אֶשְׂבְּעָ֥ה בְ֝/הָקִ֗יץ תְּמוּנָתֶֽ/ךָ
STATEN

Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld, als ik zal opwaken.