KETUVIM

Psalmen 19

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֗חַ מִזְמ֥וֹר לְ/דָוִֽד
STATEN

Een psalm van David, voor den opperzangmeester.

2
הַ/שָּׁמַ֗יִם מְֽסַפְּרִ֥ים כְּבֽוֹד אֵ֑ל וּֽ/מַעֲשֵׂ֥ה יָ֝דָ֗י/ו מַגִּ֥יד הָ/רָקִֽיעַ
STATEN

De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt Zijner handen werk.

3
י֣וֹם לְ֭/יוֹם יַבִּ֣יעַֽ אֹ֑מֶר וְ/לַ֥יְלָה לְּ֝/לַ֗יְלָה יְחַוֶּה דָּֽעַת
STATEN

De dag aan den dag stort overvloediglijk spraak uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.

4
אֵֽין אֹ֭מֶר וְ/אֵ֣ין דְּבָרִ֑ים בְּ֝לִ֗י נִשְׁמָ֥ע קוֹלָֽ/ם
STATEN

Geen spraak, en geen woorden zijn er, waar hun stem niet wordt gehoord.

5
בְּ/כָל הָ/אָ֨רֶץ יָ֘צָ֤א קַוָּ֗/ם וּ/בִ/קְצֵ֣ה תֵ֭בֵל מִלֵּי/הֶ֑ם לַ֝/שֶּׁ֗מֶשׁ שָֽׂם אֹ֥הֶל בָּ/הֶֽם
STATEN

Hun richtsnoer gaat uit over de ganse aarde, en hun redenen aan het einde der wereld; Hij heeft in dezelve een tent gesteld voor de zon.

6
וְ/ה֗וּא כְּ֭/חָתָן יֹצֵ֣א מֵ/חֻפָּת֑/וֹ יָשִׂ֥ישׂ כְּ֝/גִבּ֗וֹר לָ/ר֥וּץ אֹֽרַח
STATEN

En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijn slaapkamer; zij is vrolijk als een held, om het pad te lopen.

7
מִ/קְצֵ֤ה הַ/שָּׁמַ֨יִם מֽוֹצָא֗/וֹ וּ/תְקוּפָת֥/וֹ עַל קְצוֹתָ֑/ם וְ/אֵ֥ין נִ֝סְתָּ֗ר מֵֽ/חַמָּת/וֹ
STATEN

Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan de einden deszelven; en niets is verborgen voor haar hitte.

8
תּ֘וֹרַ֤ת יְהוָ֣ה תְּ֭מִימָה מְשִׁ֣יבַת נָ֑פֶשׁ עֵד֥וּת יְהוָ֥ה נֶ֝אֱמָנָ֗ה מַחְכִּ֥ימַת פֶּֽתִי
STATEN

De wet des HEEREN is volmaakt, bekerende de ziel; de getuigenis des HEEREN is gewis, den slechte wijsheid gevende.

9
פִּקּ֘וּדֵ֤י יְהוָ֣ה יְ֭שָׁרִים מְשַׂמְּחֵי לֵ֑ב מִצְוַ֥ת יְהוָ֥ה בָּ֝רָ֗ה מְאִירַ֥ת עֵינָֽיִם
STATEN

De bevelen des HEEREN zijn recht, verblijdende het hart; het gebod des HEEREN is zuiver, verlichtende de ogen.

10
יִרְאַ֤ת יְהוָ֨ה טְהוֹרָה֮ עוֹמֶ֪דֶת לָ֫/עַ֥ד מִֽשְׁפְּטֵי יְהוָ֥ה אֱמֶ֑ת צָֽדְק֥וּ יַחְדָּֽו
STATEN

De vreze des HEEREN is rein, bestaande tot in eeuwigheid, de rechten des HEEREN zijn waarheid, samen zijn zij rechtvaardig.

11
הַֽ/נֶּחֱמָדִ֗ים מִ֭/זָּהָב וּ/מִ/פַּ֣ז רָ֑ב וּ/מְתוּקִ֥ים מִ֝/דְּבַ֗שׁ וְ/נֹ֣פֶת צוּפִֽים
STATEN

Zij zijn begeerlijker dan goud, ja, dan veel fijn goud; en zoeter dan honig en honigzeem.

12
גַּֽם עַ֭בְדְּ/ךָ נִזְהָ֣ר בָּ/הֶ֑ם בְּ֝/שָׁמְרָ֗/ם עֵ֣קֶב רָֽב
STATEN

Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is grote loon.

13
שְׁגִיא֥וֹת מִֽי יָבִ֑ין מִֽ/נִּסְתָּר֥וֹת נַקֵּֽ/נִי
STATEN

Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgene afdwalingen.

14
גַּ֤ם מִ/זֵּדִ֨ים חֲשֹׂ֬ךְ עַבְדֶּ֗/ךָ אַֽל יִמְשְׁלוּ בִ֣/י אָ֣ז אֵיתָ֑ם וְ֝/נִקֵּ֗יתִי מִ/פֶּ֥שַֽׁע רָֽב
STATEN

Houd Uw knecht ook terug van trotsheden; laat ze niet over mij heersen; dan zal ik oprecht zijn en rein van grote overtreding.

15
יִֽהְי֥וּ לְ/רָצ֨וֹן אִמְרֵי פִ֡/י וְ/הֶגְי֣וֹן לִבִּ֣/י לְ/פָנֶ֑י/ךָ יְ֝הוָ֗ה צוּרִ֥/י וְ/גֹאֲלִֽ/י
STATEN

Laat de redenen mijns monds, en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor Uw aangezicht, o HEERE, mijn Rotssteen en mijn Verlosser!