KETUVIM
Psalmen 34
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
לְ/דָוִ֗ד בְּ/שַׁנּוֹת֣/וֹ אֶת טַ֭עְמ/וֹ לִ/פְנֵ֣י אֲבִימֶ֑לֶךְ וַֽ֝/יְגָרֲשֵׁ֗/הוּ וַ/יֵּלַֽךְ־׃
STATEN
Een psalm van David, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimélech, die hem wegjoeg, dat hij doorging.
אֲבָרֲכָ֣ה אֶת יְהוָ֣ה בְּ/כָל עֵ֑ת תָּ֝מִ֗יד תְּֽהִלָּת֥/וֹ בְּ/פִֽ/י־־׃
STATEN
Aleph. Ik zal den HEERE loven te aller tijd; Zijn lof zal geduriglijk in mijn mond zijn.
בַּ֭/יהוָה תִּתְהַלֵּ֣ל נַפְשִׁ֑/י יִשְׁמְע֖וּ עֲנָוִ֣ים וְ/יִשְׂמָֽחוּ׃
STATEN
Beth. Mijn ziel zal zich beroemen in den HEERE; de zachtmoedigen zullen het horen en verblijd zijn.
גַּדְּל֣וּ לַ/יהוָ֣ה אִתִּ֑/י וּ/נְרוֹמְמָ֖ה שְׁמ֣/וֹ יַחְדָּֽו׃
STATEN
Gimel. Maakt den HEERE met mij groot, en laat ons Zijn Naam samen verhogen.
דָּרַ֣שְׁתִּי אֶת יְהוָ֣ה וְ/עָנָ֑/נִי וּ/מִ/כָּל מְ֝גוּרוֹתַ֗/י הִצִּילָֽ/נִי־־׃
STATEN
Daleth. Ik heb den HEERE gezocht, en Hij heeft mij geantwoord, en mij uit al mijn vrezen gered.
הִבִּ֣יטוּ אֵלָ֣י/ו וְ/נָהָ֑רוּ וּ֝/פְנֵי/הֶ֗ם אַל יֶחְפָּֽרוּ־׃
STATEN
He. Vau. Zij hebben op Hem gezien, ja, Hem als een waterstroom aangelopen; en hun aangezichten zijn niet schaamrood geworden.
זֶ֤ה עָנִ֣י קָ֭רָא וַ/יהוָ֣ה שָׁמֵ֑עַ וּ/מִ/כָּל צָ֝רוֹתָ֗י/ו הוֹשִׁיעֽ/וֹ־׃
STATEN
Zain. Deze ellendige riep, en de HEERE hoorde; en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden.
חֹנֶ֤ה מַלְאַךְ יְהוָ֓ה סָ֘בִ֤יב לִֽ/ירֵאָ֗י/ו וַֽ/יְחַלְּצֵֽ/ם־׃
STATEN
Cheth. De Engel des HEEREN legert Zich rondom degenen, die Hem vrezen, en rukt hen uit.
טַעֲמ֣וּ וּ֭/רְאוּ כִּי ט֣וֹב יְהוָ֑ה אַֽשְׁרֵ֥י הַ֝/גֶּ֗בֶר יֶחֱסֶה בּֽ/וֹ־־׃
STATEN
Teth. Smaakt en ziet, dat de HEERE goed is; welgelukzalig is de man, die op Hem betrouwt.
יְר֣אוּ אֶת יְהוָ֣ה קְדֹשָׁ֑י/ו כִּי אֵ֥ין מַ֝חְס֗וֹר לִ/ירֵאָֽי/ו־־׃
STATEN
Jod. Vreest den HEERE, gij Zijn heiligen! want die Hem vrezen, hebben geen gebrek.
כְּ֭פִירִים רָשׁ֣וּ וְ/רָעֵ֑בוּ וְ/דֹרְשֵׁ֥י יְ֝הוָ֗ה לֹא יַחְסְר֥וּ כָל טֽוֹב־־׃
STATEN
Caph. De jonge leeuwen lijden armoede, en hongeren; maar die den HEERE zoeken, hebben geen gebrek aan enig goed.
לְֽכוּ בָ֭נִים שִׁמְעוּ לִ֑/י יִֽרְאַ֥ת יְ֝הוָ֗ה אֲלַמֶּדְ/כֶֽם־־׃
STATEN
Lamed. Komt, gij, kinderen! hoort naar mij! ik zal u des HEEREN vreze leren.