KETUVIM

Psalmen 35

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לְ/דָוִ֨ד רִיבָ֣/ה יְ֭הוָה אֶת יְרִיבַ֑/י לְ֝חַ֗ם אֶת לֹֽחֲמָֽ/י
STATEN

Een psalm van David. Twist, HEERE! met mijn twisters; strijd met mijn bestrijders.

2
הַחֲזֵ֣ק מָגֵ֣ן וְ/צִנָּ֑ה וְ֝/ק֗וּמָ/ה בְּ/עֶזְרָתִֽ/י
STATEN

Grijp het schild en de rondas, en sta op tot mijn hulp.

3
וְ/הָ֘רֵ֤ק חֲנִ֣ית וּ֭/סְגֹר לִ/קְרַ֣את רֹדְפָ֑/י אֱמֹ֥ר לְ֝/נַפְשִׁ֗/י יְֽשֻׁעָתֵ֥/ךְ אָֽנִי
STATEN

En breng de spies voort, en sluit den weg toe, mijn vervolgers tegemoet; zeg tot mijn ziel: Ik ben uw Heil.

4
יֵבֹ֣שׁוּ וְ/יִכָּלְמוּ֮ מְבַקְשֵׁ֪י נַ֫פְשִׁ֥/י יִסֹּ֣גוּ אָח֣וֹר וְ/יַחְפְּר֑וּ חֹ֝שְׁבֵ֗י רָעָתִֽ/י
STATEN

Laat hen beschaamd en te schande worden, die mijn ziel zoeken; laat hen achterwaarts gedreven en schaamrood worden, die kwaad tegen mij bedenken.

5
יִֽהְי֗וּ כְּ/מֹ֥ץ לִ/פְנֵי ר֑וּחַ וּ/מַלְאַ֖ךְ יְהוָ֣ה דּוֹחֶֽה
STATEN

Laat hen worden als kaf voor den wind, en de Engel des HEEREN drijve hen weg.

6
יְֽהִי דַרְכָּ֗/ם חֹ֥שֶׁךְ וַ/חֲלַקְלַקּ֑וֹת וּ/מַלְאַ֥ךְ יְ֝הוָ֗ה רֹדְפָֽ/ם
STATEN

Hun weg zij duister en gans slibberig; en de Engel des HEEREN vervolge hen.

7
כִּֽי חִנָּ֣ם טָֽמְנוּ לִ֭/י שַׁ֣חַת רִשְׁתָּ֑/ם חִ֝נָּ֗ם חָפְר֥וּ לְ/נַפְשִֽׁ/י
STATEN

Want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen; zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijn ziel.

8
תְּבוֹאֵ֣/הוּ שׁוֹאָה֮ לֹֽא יֵ֫דָ֥ע וְ/רִשְׁתּ֣/וֹ אֲשֶׁר טָמַ֣ן תִּלְכְּד֑/וֹ בְּ֝/שׁוֹאָ֗ה יִפָּל בָּֽ/הּ
STATEN

De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.

9
וְ֭/נַפְשִׁ/י תָּגִ֣יל בַּ/יהוָ֑ה תָּ֝שִׂישׂ בִּ/ישׁוּעָתֽ/וֹ
STATEN

Zo zal mijn ziel zich verheugen in den HEERE; zij zal vrolijk zijn in Zijn heil.

10
כָּ֥ל עַצְמוֹתַ֨/י תֹּאמַרְנָה֮ יְהוָ֗ה מִ֥י כָ֫מ֥וֹ/ךָ מַצִּ֣יל עָ֭נִי מֵ/חָזָ֣ק מִמֶּ֑/נּוּ וְ/עָנִ֥י וְ֝/אֶבְי֗וֹן מִ/גֹּזְלֽ/וֹ
STATEN

Al mijn beenderen zullen zeggen: HEERE, wie is U gelijk! U, Die den ellendige redt van dien, die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijn berover.

11
יְ֭קוּמוּ/ן עֵדֵ֣י חָמָ֑ס אֲשֶׁ֥ר לֹא יָ֝דַ֗עְתִּי יִשְׁאָלֽוּ/נִי
STATEN

Wrevelige getuigen staan er op; hetgeen ik niet weet, eisen zij van mij.

12
יְשַׁלְּמ֣וּ/נִי רָ֭עָה תַּ֥חַת טוֹבָ֗ה שְׁכ֣וֹל לְ/נַפְשִֽׁ/י
STATEN

Zij vergelden mij kwaad voor goed, de beroving mijner ziel.

13
וַ/אֲנִ֤י בַּ/חֲלוֹתָ֡/ם לְב֬וּשִׁ/י שָׂ֗ק עִנֵּ֣יתִי בַ/צּ֣וֹם נַפְשִׁ֑/י וּ֝/תְפִלָּתִ֗/י עַל חֵיקִ֥/י תָשֽׁוּב
STATEN

Mij aangaande daarentegen, als zij krank waren, was een zak mijn kleed; ik kwelde mijn ziel met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijn boezem.

14
כְּ/רֵֽעַ כְּ/אָ֣ח לִ֭/י הִתְהַלָּ֑כְתִּי כַּ/אֲבֶל אֵ֝֗ם קֹדֵ֥ר שַׁחֽוֹתִי
STATEN

Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware; ik ging gebukt in het zwart, als een, die over zijn moeder treurt.

15
וּ/בְ/צַלְעִ/י֮ שָׂמְח֪וּ וְֽ/נֶאֱ֫סָ֥פוּ נֶאֶסְפ֬וּ עָלַ֣/י נֵ֭כִים וְ/לֹ֣א יָדַ֑עְתִּי קָֽרְע֥וּ וְ/לֹא דָֽמּוּ
STATEN

Maar als ik hinkte, waren zij verblijd, en verzamelden zich; zij verzamelden zich tot mij als geslagenen, en ik merkte niets; zij scheurden hun klederen, en zwegen niet stil.

16
בְּ֭/חַנְפֵי לַעֲגֵ֣י מָע֑וֹג חָרֹ֖ק עָלַ֣/י שִׁנֵּֽי/מוֹ
STATEN

Onder de huichelende spotachtige tafelbroeders knersten zij over mij met hun tanden.

17
אֲדֹנָ/י֮ כַּ/מָּ֪ה תִּ֫רְאֶ֥ה הָשִׁ֣יבָ/ה נַ֭פְשִׁ/י מִ/שֹּׁאֵי/הֶ֑ם מִ֝/כְּפִירִ֗ים יְחִידָתִֽ/י
STATEN

Heere! hoe lang zult Gij toezien? Breng mijn ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijn eenzame van de jonge leeuwen.

18
א֭וֹדְ/ךָ בְּ/קָהָ֣ל רָ֑ב בְּ/עַ֖ם עָצ֣וּם אֲהַֽלְלֶֽ/ךָּ
STATEN

Zo zal ik U loven in de grote gemeente; onder machtig veel volks zal ik U prijzen.

19
אַֽל יִשְׂמְחוּ לִ֣/י אֹיְבַ֣/י שֶׁ֑קֶר שֹׂנְאַ֥/י חִ֝נָּ֗ם יִקְרְצוּ עָֽיִן
STATEN

Laat hen zich niet verblijden over mij, die mij om valse oorzaken vijand zijn; noch wenken met de ogen, die mij zonder oorzaak haten.

20
כִּ֤י לֹ֥א שָׁל֗וֹם יְדַ֫בֵּ֥רוּ וְ/עַ֥ל רִגְעֵי אֶ֑רֶץ דִּבְרֵ֥י מִ֝רְמוֹת יַחֲשֹׁבֽוּ/ן
STATEN

Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.

21
וַ/יַּרְחִ֥יבוּ עָלַ֗/י פִּ֫י/הֶ֥ם אָ֭מְרוּ הֶאָ֣ח הֶאָ֑ח רָאֲתָ֥ה עֵינֵֽי/נוּ
STATEN

En zij sperren hun mond wijd op tegen mij; zij zeggen: Ha, ha, ons oog heeft het gezien!

22
רָאִ֣יתָה יְ֭הוָה אַֽל תֶּחֱרַ֑שׁ אֲ֝דֹנָ֗/י אֲל תִּרְחַ֥ק מִמֶּֽ/נִּי
STATEN

HEERE! Gij hebt het gezien, zwijg niet; Heere! wees niet verre van mij.

23
הָעִ֣ירָ/ה וְ֭/הָקִיצָ/ה לְ/מִשְׁפָּטִ֑/י אֱלֹהַ֖/י וַֽ/אדֹנָ֣/י לְ/רִיבִֽ/י
STATEN

Ontwaak en word wakker tot mijn recht; mijn God en Heere! tot mijn twistzaak.

24
שָׁפְטֵ֣/נִי כְ֭/צִדְקְ/ךָ יְהוָ֥ה אֱלֹהָ֗/י וְ/אַל יִשְׂמְחוּ לִֽ/י
STATEN

Doe mij recht naar Uw gerechtigheid, HEERE, mijn God! en laat hen zich over mij niet verblijden.

25
אַל יֹאמְר֣וּ בְ֭/לִבָּ/ם הֶאָ֣ח נַפְשֵׁ֑/נוּ אַל יֹ֝אמְר֗וּ בִּֽלַּעֲנֽוּ/הוּ
STATEN

Laat hen niet zeggen in hun hart: Heah, onze ziel! laat hen niet zeggen: Wij hebben hem verslonden!

26
יֵ֘בֹ֤שׁוּ וְ/יַחְפְּר֨וּ יַחְדָּו֮ שְׂמֵחֵ֪י רָעָ֫תִ֥/י יִֽלְבְּשׁוּ בֹ֥שֶׁת וּ/כְלִמָּ֑ה הַֽ/מַּגְדִּילִ֥ים עָלָֽ/י
STATEN

Laat hen beschaamd en te zamen schaamrood worden, die zich in mijn kwaad verblijden; laat hen met schaamte en schande bekleed worden, die zich tegen mij groot maken.

27
יָרֹ֣נּוּ וְ/יִשְׂמְחוּ֮ חֲפֵצֵ֪י צִ֫דְקִ֥/י וְ/יֹאמְר֣וּ תָ֭מִיד יִגְדַּ֣ל יְהוָ֑ה הֶ֝/חָפֵ֗ץ שְׁל֣וֹם עַבְדּֽ/וֹ
STATEN

Laat hen vrolijk zingen en verblijd zijn, die lust hebben tot mijn gerechtigheid; en laat hen geduriglijk zeggen: Groot gemaakt zij de HEERE, Die lust heeft tot den vrede Zijns knechts!

28
וּ֭/לְשׁוֹנִ/י תֶּהְגֶּ֣ה צִדְקֶ֑/ךָ כָּל הַ֝/יּוֹם תְּהִלָּתֶֽ/ךָ
STATEN

Zo zal mijn tong vermelden Uw gerechtigheid, en Uw lof den gansen dag.