KETUVIM

Psalmen 37

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לְ/דָוִ֨ד אַל תִּתְחַ֥ר בַּ/מְּרֵעִ֑ים אַל תְּ֝קַנֵּ֗א בְּ/עֹשֵׂ֥י עַוְלָֽה
STATEN

Een psalm van David. Aleph. Ontsteek u niet over de boosdoeners; benijd hen niet, die onrecht doen.

2
כִּ֣י כֶ֭/חָצִיר מְהֵרָ֣ה יִמָּ֑לוּ וּ/כְ/יֶ֥רֶק דֶּ֝֗שֶׁא יִבּוֹלֽוּ/ן
STATEN

Want als gras zullen zij haast worden afgesneden, en als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen.

3
בְּטַ֣ח בַּֽ֭/יהוָה וַ/עֲשֵׂה ט֑וֹב שְׁכָן אֶ֝֗רֶץ וּ/רְעֵ֥ה אֱמוּנָֽה
STATEN

Beth. Vertrouw op den HEERE, en doe het goede; bewoon de aarde, en voed u met getrouwigheid.

4
וְ/הִתְעַנַּ֥ג עַל יְהוָ֑ה וְ/יִֽתֶּן לְ֝/ךָ֗ מִשְׁאֲלֹ֥ת לִבֶּֽ/ךָ
STATEN

En verlustig u in den HEERE, zo zal Hij u geven de begeerten uws harten.

5
גּ֣וֹל עַל יְהוָ֣ה דַּרְכֶּ֑/ךָ וּ/בְטַ֥ח עָ֝לָ֗י/ו וְ/ה֣וּא יַעֲשֶֽׂה
STATEN

Gimel. Wentel uw weg op den HEERE, en vertrouw op Hem; Hij zal het maken;

6
וְ/הוֹצִ֣יא כָ/א֣וֹר צִדְקֶ֑/ךָ וּ֝/מִשְׁפָּטֶ֗/ךָ כַּֽ/צָּהֳרָֽיִם
STATEN

En zal uw gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als den middag.

7
דּ֤וֹם לַ/יהוָה֮ וְ/הִתְח֪וֹלֵ֫ל ל֥/וֹ אַל תִּ֭תְחַר בְּ/מַצְלִ֣יחַ דַּרְכּ֑/וֹ בְּ֝/אִ֗ישׁ עֹשֶׂ֥ה מְזִמּֽוֹת
STATEN

Daleth. Zwijg den HEERE, en verbeid Hem; ontsteek u niet over dengene, wiens weg voorspoedig is; over een man, die listige aanslagen uitvoert.

8
הֶ֣רֶף מֵ֭/אַף וַ/עֲזֹ֣ב חֵמָ֑ה אַל תִּ֝תְחַ֗ר אַךְ לְ/הָרֵֽעַ
STATEN

He. Laat af van toorn, en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet, om kwaad te doen.

9
כִּֽי מְ֭רֵעִים יִכָּרֵת֑וּ/ן וְ/קֹוֵ֥י יְ֝הוָ֗ה הֵ֣מָּה יִֽירְשׁוּ אָֽרֶץ
STATEN

Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden, maar die den HEERE verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten.

10
וְ/ע֣וֹד מְ֭עַט וְ/אֵ֣ין רָשָׁ֑ע וְ/הִתְבּוֹנַ֖נְתָּ עַל מְקוֹמ֣/וֹ וְ/אֵינֶֽ/נּוּ
STATEN

Vau. En nog een weinig, en de goddeloze zal er niet zijn; en gij zult acht nemen op zijn plaats, maar hij zal er niet wezen.

11
וַ/עֲנָוִ֥ים יִֽירְשׁוּ אָ֑רֶץ וְ֝/הִתְעַנְּג֗וּ עַל רֹ֥ב שָׁלֽוֹם
STATEN

De zachtmoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten, en zich verlustigen over groten vrede.

12
זֹמֵ֣ם רָ֭שָׁע לַ/צַּדִּ֑יק וְ/חֹרֵ֖ק עָלָ֣י/ו שִׁנָּֽי/ו
STATEN

Zain. De goddeloze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige, en hij knerst over hem met zijn tanden.

13
אֲדֹנָ֥/י יִשְׂחַק ל֑/וֹ כִּֽי רָ֝אָ֗ה כִּֽי יָבֹ֥א יוֹמֽ/וֹ
STATEN

De Heere belacht hem, want Hij ziet, dat zijn dag komt.

14
חֶ֤רֶב פָּֽתְח֣וּ רְשָׁעִים֮ וְ/דָרְכ֪וּ קַ֫שְׁתָּ֥/ם לְ֭/הַפִּיל עָנִ֣י וְ/אֶבְי֑וֹן לִ֝/טְב֗וֹחַ יִשְׁרֵי דָֽרֶךְ
STATEN

Cheth. De goddelozen hebben het zwaard uitgetrokken, en hun boog gespannen, om den ellendige en nooddruftige neder te vellen, om te slachten, die oprecht van weg zijn.

15
חַ֭רְבָּ/ם תָּב֣וֹא בְ/לִבָּ֑/ם וְ֝/קַשְּׁתוֹתָ֗/ם תִּשָּׁבַֽרְנָה
STATEN

Maar hun zwaard zal in hunlieder hart gaan; en hun bogen zullen verbroken worden.

16
טוֹב מְ֭עַט לַ/צַּדִּ֑יק מֵ֝/הֲמ֗וֹן רְשָׁעִ֥ים רַבִּֽים
STATEN

Teth. Het weinige, dat de rechtvaardige heeft, is beter dan de overvloed veler goddelozen.

17
כִּ֤י זְרוֹע֣וֹת רְ֭שָׁעִים תִּשָּׁבַ֑רְנָה וְ/סוֹמֵ֖ךְ צַדִּיקִ֣ים יְהוָֽה
STATEN

Want de armen der goddelozen zullen verbroken worden; maar de HEERE ondersteunt de rechtvaardigen.

18
יוֹדֵ֣עַ יְ֭הוָה יְמֵ֣י תְמִימִ֑ם וְ֝/נַחֲלָתָ֗/ם לְ/עוֹלָ֥ם תִּהְיֶֽה
STATEN

Jod. De HEERE kent de dagen der oprechten; en hun erfenis zal in eeuwigheid blijven.

19
לֹֽא יֵ֭בֹשׁוּ בְּ/עֵ֣ת רָעָ֑ה וּ/בִ/ימֵ֖י רְעָב֣וֹן יִשְׂבָּֽעוּ
STATEN

Zij zullen niet beschaamd worden in den kwaden tijd, en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden.

20
כִּ֤י רְשָׁעִ֨ים יֹאבֵ֗דוּ וְ/אֹיְבֵ֣י יְ֭הוָה כִּ/יקַ֣ר כָּרִ֑ים כָּל֖וּ בֶ/עָשָׁ֣ן כָּֽלוּ
STATEN

Caph. Maar de goddelozen zullen vergaan, en de vijanden des HEEREN zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lammeren; met den rook zullen zij verdwijnen.

21
לֹוֶ֣ה רָ֭שָׁע וְ/לֹ֣א יְשַׁלֵּ֑ם וְ֝/צַדִּ֗יק חוֹנֵ֥ן וְ/נוֹתֵֽן
STATEN

Lamed. De goddeloze ontleent en geeft niet weder; maar de rechtvaardige ontfermt zich, en geeft.

22
כִּ֣י מְ֭בֹרָכָי/ו יִ֣ירְשׁוּ אָ֑רֶץ וּ֝/מְקֻלָּלָ֗י/ו יִכָּרֵֽתוּ
STATEN

Want zijn gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten; maar zijn vervloekten zullen uitgeroeid worden.

23
מֵ֭/יְהוָה מִֽצְעֲדֵי גֶ֥בֶר כּוֹנָ֗נוּ וְ/דַרְכּ֥/וֹ יֶחְפָּֽץ
STATEN

Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.

24
כִּֽי יִפֹּ֥ל לֹֽא יוּטָ֑ל כִּֽי יְ֝הוָ֗ה סוֹמֵ֥ךְ יָדֽ/וֹ
STATEN

Als hij valt, zo wordt hij niet weggeworpen, want de HEERE ondersteunt zijn hand.

25
נַ֤עַר הָיִ֗יתִי גַּם זָ֫קַ֥נְתִּי וְֽ/לֹא רָ֭אִיתִי צַדִּ֣יק נֶעֱזָ֑ב וְ֝/זַרְע֗/וֹ מְבַקֶּשׁ לָֽחֶם
STATEN

Nun. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.

26
כָּל הַ֭/יּוֹם חוֹנֵ֣ן וּ/מַלְוֶ֑ה וְ֝/זַרְע֗/וֹ לִ/בְרָכָֽה
STATEN

Den gansen dag ontfermt hij zich, en leent; en zijn zaad is tot zegening.

27
ס֣וּר מֵ֭/רָע וַ/עֲשֵׂה ט֗וֹב וּ/שְׁכֹ֥ן לְ/עוֹלָֽם
STATEN

Samech. Wijk af van het kwade, en doe het goede, en woon in eeuwigheid.

28
כִּ֤י יְהוָ֨ה אֹ֘הֵ֤ב מִשְׁפָּ֗ט וְ/לֹא יַעֲזֹ֣ב אֶת חֲ֭סִידָי/ו לְ/עוֹלָ֣ם נִשְׁמָ֑רוּ וְ/זֶ֖רַע רְשָׁעִ֣ים נִכְרָֽת
STATEN

Want de HEERE heeft het recht lief, en zal Zijn gunstgenoten niet verlaten; in eeuwigheid worden zij bewaard; maar het zaad der goddelozen wordt uitgeroeid.

29
צַדִּיקִ֥ים יִֽירְשׁוּ אָ֑רֶץ וְ/יִשְׁכְּנ֖וּ לָ/עַ֣ד עָלֶֽי/הָ
STATEN

De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten, en in eeuwigheid daarop wonen.

30
פִּֽי צַ֭דִּיק יֶהְגֶּ֣ה חָכְמָ֑ה וּ֝/לְשׁוֹנ֗/וֹ תְּדַבֵּ֥ר מִשְׁפָּֽט
STATEN

Pe. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijn tong spreekt het recht.

31
תּוֹרַ֣ת אֱלֹהָ֣י/ו בְּ/לִבּ֑/וֹ לֹ֖א תִמְעַ֣ד אֲשֻׁרָי/ו
STATEN

De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.

32
צוֹפֶ֣ה רָ֭שָׁע לַ/צַּדִּ֑יק וּ֝/מְבַקֵּ֗שׁ לַ/הֲמִית/וֹ
STATEN

Tsade. De goddeloze loert op den rechtvaardige, en zoekt hem te doden.

33
יְ֭הוָה לֹא יַעַזְבֶ֣/נּוּ בְ/יָד֑/וֹ וְ/לֹ֥א יַ֝רְשִׁיעֶ֗/נּוּ בְּ/הִשָּׁפְטֽ/וֹ
STATEN

Maar de HEERE laat hem niet in zijn hand; en Hij verdoemt hem niet, als hij geoordeeld wordt.

34
קַוֵּ֤ה אֶל יְהוָ֨ה וּ/שְׁמֹ֬ר דַּרְכּ֗/וֹ וִֽ֭/ירוֹמִמְ/ךָ לָ/רֶ֣שֶׁת אָ֑רֶץ בְּ/הִכָּרֵ֖ת רְשָׁעִ֣ים תִּרְאֶֽה
STATEN

Koph. Wacht op den HEERE, en houd Zijn weg, en Hij zal u verhogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien, dat de goddelozen worden uitgeroeid.

35
רָ֭אִיתִי רָשָׁ֣ע עָרִ֑יץ וּ֝/מִתְעָרֶ֗ה כְּ/אֶזְרָ֥ח רַעֲנָֽן
STATEN

Resch. Ik heb gezien een gewelddrijvenden goddeloze, die zich uitbreidde als een groene inlandse boom.

36
וַ֭/יַּֽעֲבֹר וְ/הִנֵּ֣ה אֵינֶ֑/נּוּ וָֽ֝/אֲבַקְשֵׁ֗/הוּ וְ/לֹ֣א נִמְצָֽא
STATEN

Maar hij ging door, en zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet gevonden.

37
שְׁמָר תָּ֭ם וּ/רְאֵ֣ה יָשָׁ֑ר כִּֽי אַחֲרִ֖ית לְ/אִ֣ישׁ שָׁלֽוֹם
STATEN

Schin. Let op den vrome, en zie naar den oprechte; want het einde van dien man zal vrede zijn.

38
וּֽ֭/פֹשְׁעִים נִשְׁמְד֣וּ יַחְדָּ֑ו אַחֲרִ֖ית רְשָׁעִ֣ים נִכְרָֽתָה
STATEN

Maar de overtreders worden te zamen verdelgd; het einde der goddelozen wordt uitgeroeid.

39
וּ/תְשׁוּעַ֣ת צַ֭דִּיקִים מֵ/יְהוָ֑ה מָֽ֝עוּזָּ֗/ם בְּ/עֵ֣ת צָרָֽה
STATEN

Thau. Doch het heil der rechtvaardigen is van den HEERE; hun Sterkte ter tijd van benauwdheid.

40
וַֽ/יַּעְזְרֵ֥/ם יְהוָ֗ה וַֽ/יְפַ֫לְּטֵ֥/ם יְפַלְּטֵ֣/ם מֵ֭/רְשָׁעִים וְ/יוֹשִׁיעֵ֑/ם כִּי חָ֥סוּ בֽ/וֹ
STATEN

En de HEERE zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.