KETUVIM

Psalmen 39

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֥חַ ל/ידיתון מִזְמ֥וֹר לְ/דָוִֽד לִֽ/ידוּת֗וּן
STATEN

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, voor Jedúthun.

2
אָמַ֗רְתִּי אֶֽשְׁמְרָ֣ה דְרָכַ/י֮ מֵ/חֲט֪וֹא בִ/לְשׁ֫וֹנִ֥/י אֶשְׁמְרָ֥ה לְ/פִ֥/י מַחְס֑וֹם בְּ/עֹ֖ד רָשָׁ֣ע לְ/נֶגְדִּֽ/י
STATEN

Ik zeide: Ik zal mijn wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijn tong; ik zal mijn mond met een breidel bewaren, terwijl de goddeloze nog tegenover mij is.

3
נֶאֱלַ֣מְתִּי ד֭וּמִיָּה הֶחֱשֵׁ֣יתִי מִ/טּ֑וֹב וּ/כְאֵבִ֥/י נֶעְכָּֽר
STATEN

Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijn smart werd verzwaard.

4
חַם לִבִּ֨/י בְּ/קִרְבִּ֗/י בַּ/הֲגִיגִ֥/י תִבְעַר אֵ֑שׁ דִּ֝בַּ֗רְתִּי בִּ/לְשֽׁוֹנִ/י
STATEN

Mijn hart werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijn overdenking; toen sprak ik met mijn tong:

5
הוֹדִ֘יעֵ֤/נִי יְהוָ֨ה קִצִּ֗/י וּ/מִדַּ֣ת יָמַ֣/י מַה הִ֑יא אֵ֝דְעָ֗ה מֶה חָדֵ֥ל אָֽנִי
STATEN

HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.

6
הִנֵּ֤ה טְפָח֨וֹת נָ֘תַ֤תָּה יָמַ֗/י וְ/חֶלְדִּ֣/י כְ/אַ֣יִן נֶגְדֶּ֑/ךָ אַ֥ךְ כָּֽל הֶ֥בֶל כָּל אָ֝דָ֗ם נִצָּ֥ב סֶֽלָה
STATEN

Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.

7
אַךְ בְּ/צֶ֤לֶם יִֽתְהַלֶּךְ אִ֗ישׁ אַךְ הֶ֥בֶל יֶהֱמָי֑וּ/ן יִ֝צְבֹּ֗ר וְֽ/לֹא יֵדַ֥ע מִי אֹסְפָֽ/ם
STATEN

Immers wandelt de mens als in een beeld, immers woelen zij ijdellijk; men brengt bijeen, en men weet niet, wie het naar zich nemen zal.

8
וְ/עַתָּ֣ה מַה קִּוִּ֣יתִי אֲדֹנָ֑/י תּ֝וֹחַלְתִּ֗/י לְ/ךָ֣ הִֽיא
STATEN

En nu, wat verwacht ik, o Heere! Mijn hoop, die is op U.

9
מִ/כָּל פְּשָׁעַ֥/י הַצִּילֵ֑/נִי חֶרְפַּ֥ת נָ֝בָ֗ל אַל תְּשִׂימֵֽ/נִי
STATEN

Verlos mij van al mijn overtredingen; en stel mij niet tot een smaad des dwazen.

10
נֶ֭אֱלַמְתִּי לֹ֣א אֶפְתַּח פִּ֑/י כִּ֖י אַתָּ֣ה עָשִֽׂיתָ
STATEN

Ik ben verstomd, ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan.

11
הָסֵ֣ר מֵ/עָלַ֣/י נִגְעֶ֑/ךָ מִ/תִּגְרַ֥ת יָ֝דְ/ךָ֗ אֲנִ֣י כָלִֽיתִי
STATEN

Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.

12
בְּֽ/תוֹכָ֘ח֤וֹת עַל עָוֺ֨ן יִסַּ֬רְתָּ אִ֗ישׁ וַ/תֶּ֣מֶס כָּ/עָ֣שׁ חֲמוּד֑/וֹ אַ֤ךְ הֶ֖בֶל כָּל אָדָ֣ם סֶֽלָה
STATEN

Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.

13
שִֽׁמְעָ֥/ה תְפִלָּתִ֨/י יְהוָ֡ה וְ/שַׁוְעָתִ֨/י הַאֲזִינָ/ה֮ אֶֽל דִּמְעָתִ֗/י אַֽל תֶּ֫חֱרַ֥שׁ כִּ֤י גֵ֣ר אָנֹכִ֣י עִמָּ֑/ךְ תּ֝וֹשָׁ֗ב כְּ/כָל אֲבוֹתָֽ/י
STATEN

Hoor, HEERE! mijn gebed, en neem mijn geroep ter ore; zwijg niet tot mijn tranen; want ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijn vaders.

14
הָשַׁ֣ע מִמֶּ֣/נִּי וְ/אַבְלִ֑יגָה בְּ/טֶ֖רֶם אֵלֵ֣ךְ וְ/אֵינֶֽ/נִּי
STATEN

Wend U van mij af, dat ik mij verkwikke, eer dat ik heenga, en ik niet meer zij.