Ga naar inhoud
KETUVIM

Psalmen 44

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150151
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
לַ/מְנַצֵּ֬חַ לִ/בְנֵי קֹ֬רַח מַשְׂכִּֽיל־׃
STATEN

Een onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

2
אֱלֹהִ֤ים בְּ/אָזְנֵ֬י/נוּ שָׁמַ֗עְנוּ אֲבוֹתֵ֥י/נוּ סִפְּרוּ לָ֑/נוּ פֹּ֥עַל פָּעַ֥לְתָּ בִֽ֝/ימֵי/הֶ֗ם בִּ֣/ימֵי קֶֽדֶם׀־׃
STATEN

O God! wij hebben het met onze oren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: Gij hebt een werk gewrocht in hun dagen, in de dagen van ouds.

3
אַתָּ֤ה יָדְ/ךָ֡ גּוֹיִ֣ם ה֭וֹרַשְׁתָּ וַ/תִּטָּעֵ֑/ם תָּרַ֥ע לְ֝אֻמִּ֗ים וַֽ/תְּשַׁלְּחֵֽ/ם׀׃
STATEN

Gij hebt de heidenen met Uw hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; Gij hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doen voortschieten.

4
כִּ֤י לֹ֪א בְ/חַרְבָּ֡/ם יָ֥רְשׁוּ אָ֗רֶץ וּ/זְרוֹעָ/ם֮ לֹא הוֹשִׁ֪יעָ֫ה לָּ֥/מוֹ כִּֽי יְמִֽינְ/ךָ֣ וּ֭/זְרוֹעֲ/ךָ וְ/א֥וֹר פָּנֶ֗י/ךָ כִּ֣י רְצִיתָֽ/ם־־׃
STATEN

Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heeft hun geen heil gegeven; maar Uw rechterhand, en Uw arm, en het licht Uws aangezichts, omdat Gij een welbehagen in hen hadt.

5
אַתָּה ה֣וּא מַלְכִּ֣/י אֱלֹהִ֑ים צַ֝וֵּ֗ה יְשׁוּע֥וֹת יַעֲקֹֽב־׃
STATEN

Gij Zelf zijt mijn Koning, o God! gebied de verlossingen Jakobs.

6
בְּ֭/ךָ צָרֵ֣י/נוּ נְנַגֵּ֑חַ בְּ֝/שִׁמְ/ךָ֗ נָב֥וּס קָמֵֽי/נוּ׃
STATEN

Door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan.

7
כִּ֤י לֹ֣א בְ/קַשְׁתִּ֣/י אֶבְטָ֑ח וְ֝/חַרְבִּ֗/י לֹ֣א תוֹשִׁיעֵֽ/נִי׃
STATEN

Want ik vertrouw niet op mijn boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen.

8
כִּ֣י ה֭וֹשַׁעְתָּ/נוּ מִ/צָּרֵ֑י/נוּ וּ/מְשַׂנְאֵ֥י/נוּ הֱבִישֽׁוֹתָ׃
STATEN

Maar Gij verlost ons van onze wederpartijders, en Gij maakt onze haters beschaamd.

9
בֵּֽ֭/אלֹהִים הִלַּלְ֣נוּ כָל הַ/יּ֑וֹם וְ/שִׁמְ/ךָ֓ לְ/עוֹלָ֖ם נוֹדֶ֣ה סֶֽלָה־׀׃
STATEN

In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.

10
אַף זָ֭נַחְתָּ וַ/תַּכְלִימֵ֑/נוּ וְ/לֹא תֵ֝צֵ֗א בְּ/צִבְאוֹתֵֽי/נוּ־־׃
STATEN

Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.

11
תְּשִׁיבֵ֣/נוּ אָ֭חוֹר מִנִּי צָ֑ר וּ֝/מְשַׂנְאֵ֗י/נוּ שָׁ֣סוּ לָֽ/מוֹ־׃
STATEN

Gij doet ons achterwaarts keren van den wederpartijder; en onze haters beroven ons voor zich.

12
תִּ֭תְּנֵ/נוּ כְּ/צֹ֣אן מַאֲכָ֑ל וּ֝/בַ/גּוֹיִ֗ם זֵרִיתָֽ/נוּ׃
STATEN

Gij geeft ons over als schapen ter spijze, en Gij verstrooit ons onder de heidenen.

Op De Naamdragers

Blogs over Psalmen 44

Nog geen artikelen die specifiek naar Psalmen 44 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →