KETUVIM

Psalmen 46

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֥חַ לִ/בְנֵי קֹ֑רַח עַֽל עֲלָמ֥וֹת שִֽׁיר
STATEN

Een lied op Alamôth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

2
אֱלֹהִ֣ים לָ֭/נוּ מַחֲסֶ֣ה וָ/עֹ֑ז עֶזְרָ֥ה בְ֝/צָר֗וֹת נִמְצָ֥א מְאֹֽד
STATEN

God is ons een Toevlucht en Sterkte; Hij is krachtelijk bevonden een Hulp in benauwdheden.

3
עַל כֵּ֣ן לֹא נִ֭ירָא בְּ/הָמִ֣יר אָ֑רֶץ וּ/בְ/מ֥וֹט הָ֝רִ֗ים בְּ/לֵ֣ב יַמִּֽים
STATEN

Daarom zullen wij niet vrezen, al veranderde de aarde haar plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën;

4
יֶהֱמ֣וּ יֶחְמְר֣וּ מֵימָ֑י/ו יִֽרְעֲשֽׁוּ הָרִ֖ים בְּ/גַאֲוָת֣/וֹ סֶֽלָה
STATEN

Laat haar wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat de bergen daveren, door derzelver verheffing! Sela.

5
נָהָ֗ר פְּלָגָ֗י/ו יְשַׂמְּח֥וּ עִיר אֱלֹהִ֑ים קְ֝דֹ֗שׁ מִשְׁכְּנֵ֥י עֶלְיֽוֹן
STATEN

De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Gods, het heiligdom der woningen des Allerhoogsten.

6
אֱלֹהִ֣ים בְּ֭/קִרְבָּ/הּ בַּל תִּמּ֑וֹט יַעְזְרֶ֥/הָ אֱ֝לֹהִ֗ים לִ/פְנ֥וֹת בֹּֽקֶר
STATEN

God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen; God zal haar helpen in het aanbreken van den morgenstond.

7
הָמ֣וּ ג֭וֹיִם מָ֣טוּ מַמְלָכ֑וֹת נָתַ֥ן בְּ֝/קוֹל֗/וֹ תָּמ֥וּג אָֽרֶץ
STATEN

De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich; Hij verhief Zijn stem, de aarde versmolt.

8
יְהוָ֣ה צְבָא֣וֹת עִמָּ֑/נוּ מִשְׂגָּֽב לָ֝/נוּ אֱלֹהֵ֖י יַעֲקֹ֣ב סֶֽלָה
STATEN

De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.

9
לְֽכוּ חֲ֭זוּ מִפְעֲל֣וֹת יְהוָ֑ה אֲשֶׁר שָׂ֖ם שַׁמּ֣וֹת בָּ/אָֽרֶץ
STATEN

Komt, aanschouwt de daden des HEEREN, Die verwoestingen op aarde aanricht.

10
מַשְׁבִּ֥ית מִלְחָמוֹת֮ עַד קְצֵ֪ה הָ֫/אָ֥רֶץ קֶ֣שֶׁת יְ֭שַׁבֵּר וְ/קִצֵּ֣ץ חֲנִ֑ית עֲ֝גָל֗וֹת יִשְׂרֹ֥ף בָּ/אֵֽשׁ
STATEN

Die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, den boog verbreekt, en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.

11
הַרְפּ֣וּ וּ֭/דְעוּ כִּי אָנֹכִ֣י אֱלֹהִ֑ים אָר֥וּם בַּ֝/גּוֹיִ֗ם אָר֥וּם בָּ/אָֽרֶץ
STATEN

Laat af, en weet, dat Ik God ben; Ik zal verhoogd worden onder de heidenen, Ik zal verhoogd worden op de aarde.

12
יְהוָ֣ה צְבָא֣וֹת עִמָּ֑/נוּ מִשְׂגָּֽב לָ֝/נוּ אֱלֹהֵ֖י יַעֲקֹ֣ב סֶֽלָה
STATEN

De HEERE der heirscharen is met ons; de God van Jakob is ons een Hoog Vertrek. Sela.