KETUVIM
Psalmen 47
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
לַ/מְנַצֵּ֬חַ לִ/בְנֵי קֹ֬רַח מִזְמֽוֹר׀־׃
STATEN
Een psalm, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.
כָּֽל הָ֭/עַמִּים תִּקְעוּ כָ֑ף הָרִ֥יעוּ לֵ֝/אלֹהִ֗ים בְּ/ק֣וֹל רִנָּֽה־־׃
STATEN
Al gij volken, klapt in de hand; juicht Gode met een stem van vreugdegezang.
כִּֽי יְהוָ֣ה עֶלְי֣וֹן נוֹרָ֑א מֶ֥לֶךְ גָּ֝דוֹל עַל כָּל הָ/אָֽרֶץ־־־׃
STATEN
Want de HEERE, de Allerhoogste, is vreselijk, een groot Koning over de ganse aarde.
יַדְבֵּ֣ר עַמִּ֣ים תַּחְתֵּ֑י/נוּ וּ֝/לְאֻמִּ֗ים תַּ֣חַת רַגְלֵֽי/נוּ׃
STATEN
Hij brengt de volken onder ons, en de natiën onder onze voeten.
יִבְחַר לָ֥/נוּ אֶת נַחֲלָתֵ֑/נוּ אֶ֥ת גְּא֨וֹן יַעֲקֹ֖ב אֲשֶׁר אָהֵ֣ב סֶֽלָה־־־׃
STATEN
Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid van Jakob, dien Hij heeft liefgehad. Sela.
עָלָ֣ה אֱ֭לֹהִים בִּ/תְרוּעָ֑ה יְ֝הֹוָ֗ה בְּ/ק֣וֹל שׁוֹפָֽר׃
STATEN
God vaart op met gejuich, de HEERE met geklank der bazuin.
זַמְּר֣וּ אֱלֹהִ֣ים זַמֵּ֑רוּ זַמְּר֖וּ לְ/מַלְכֵּ֣/נוּ זַמֵּֽרוּ׃
STATEN
Psalmzingt Gode, psalmzingt! Psalmzingt onzen Koning, psalmzingt!
כִּ֤י מֶ֖לֶךְ כָּל הָ/אָ֥רֶץ אֱלֹהִ֗ים זַמְּר֥וּ מַשְׂכִּֽיל־׃
STATEN
Want God is een Koning der ganse aarde; psalmzingt met een onderwijzing!
מָלַ֣ךְ אֱ֭לֹהִים עַל גּוֹיִ֑ם אֱ֝לֹהִ֗ים יָשַׁ֤ב עַל כִּסֵּ֬א קָדְשֽׁ/וֹ־׀־׃
STATEN
God regeert over de heidenen; God zit op den troon Zijner heiligheid.
נְדִ֘יבֵ֤י עַמִּ֨ים נֶאֱסָ֗פוּ עַם֮ אֱלֹהֵ֪י אַבְרָ֫הָ֥ם כִּ֣י לֵֽ֭/אלֹהִים מָֽגִנֵּי אֶ֗רֶץ מְאֹ֣ד נַעֲלָֽה׀־׃
STATEN
De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van den God van Abraham; want de schilden der aarde zijn Godes. Hij is zeer verheven!