KETUVIM

Psalmen 5

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֥חַ אֶֽל הַ/נְּחִיל֗וֹת מִזְמ֥וֹר לְ/דָוִֽד
STATEN

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Nechilôth.

2
אֲמָרַ֖/י הַאֲזִ֥ינָ/ה יְהוָ֗ה בִּ֣ינָ/ה הֲגִֽיגִ/י
STATEN

O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.

3
הַקְשִׁ֤יבָ/ה לְ/ק֬וֹל שַׁוְעִ֗/י מַלְכִּ֥/י וֵ/אלֹהָ֑/י כִּֽי אֵ֝לֶ֗י/ךָ אֶתְפַּלָּֽל
STATEN

Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.

4
יְֽהוָ֗ה בֹּ֭קֶר תִּשְׁמַ֣ע קוֹלִ֑/י בֹּ֥קֶר אֶֽעֱרָךְ לְ֝/ךָ֗ וַ/אֲצַפֶּֽה
STATEN

Des morgens, HEERE, zult Gij mijn stem horen; des morgens zal ik mij tot U schikken, en wacht houden.

5
כִּ֤י לֹ֤א אֵֽל חָפֵ֘ץ רֶ֥שַׁע אָ֑תָּה לֹ֖א יְגֻרְ/ךָ֣ רָֽע
STATEN

Want Gij zijt geen God, Die lust heeft aan goddeloosheid; de boze zal bij U niet verkeren.

6
לֹֽא יִתְיַצְּב֣וּ הֽ֭וֹלְלִים לְ/נֶ֣גֶד עֵינֶ֑י/ךָ שָׂ֝נֵ֗אתָ כָּל פֹּ֥עֲלֵי אָֽוֶן
STATEN

De onzinnigen zullen voor Uw ogen niet bestaan; Gij haat alle werkers der ongerechtigheid.

7
תְּאַבֵּד֮ דֹּבְרֵ֪י כָ֫זָ֥ב אִישׁ דָּמִ֥ים וּ/מִרְמָ֗ה יְתָ֘עֵ֥ב יְהוָֽה
STATEN

Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.

8
וַ/אֲנִ֗י בְּ/רֹ֣ב חַ֭סְדְּ/ךָ אָב֣וֹא בֵיתֶ֑/ךָ אֶשְׁתַּחֲוֶ֥ה אֶל הֵֽיכַל קָ֝דְשְׁ/ךָ֗ בְּ/יִרְאָתֶֽ/ךָ
STATEN

Maar ik zal door de grootheid Uwer goedertierenheid in Uw huis ingaan; ik zal mij buigen naar het paleis Uwer heiligheid, in Uw vreze.

9
הַיְשַׁ֖ר יְהוָ֤ה נְחֵ֬/נִי בְ/צִדְקָתֶ֗/ךָ לְמַ֥עַן שׁוֹרְרָ֑/י הושר לְ/פָנַ֣/י דַּרְכֶּֽ/ךָ
STATEN

HEERE! Leid mij in Uw gerechtigheid, om mijner verspieders wil; richt Uw weg voor mijn aangezicht.

10
כִּ֤י אֵ֪ין בְּ/פִ֡י/הוּ נְכוֹנָה֮ קִרְבָּ֪/ם הַ֫וּ֥וֹת קֶֽבֶר פָּת֥וּחַ גְּרוֹנָ֑/ם לְ֝שׁוֹנָ֗/ם יַחֲלִֽיקוּ/ן
STATEN

Want in hun mond is niets rechts, hun binnenste is enkel verderving, hun keel is een open graf, met hun tong vleien zij.

11
הַֽאֲשִׁימֵ֨/ם אֱֽלֹהִ֗ים יִפְּלוּ֮ מִֽ/מֹּעֲצ֪וֹתֵ֫י/הֶ֥ם בְּ/רֹ֣ב פִּ֭שְׁעֵי/הֶם הַדִּיחֵ֑/מוֹ כִּי מָ֥רוּ בָֽ/ךְ
STATEN

Verklaar hen schuldig, o God; laat hen vervallen van hun raadslagen; drijf hen henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen U.

12
וְ/יִשְׂמְח֨וּ כָל ח֪וֹסֵי בָ֡/ךְ לְ/עוֹלָ֣ם יְ֭רַנֵּנוּ וְ/תָסֵ֣ךְ עָלֵ֑י/מוֹ וְֽ/יַעְלְצ֥וּ בְ֝/ךָ֗ אֹהֲבֵ֥י שְׁמֶֽ/ךָ
STATEN

Maar laat verblijd zijn allen, die op U betrouwen, tot in eeuwigheid; laat hen juichen, omdat Gij hen overdekt; en laat in U van vreugde opspringen, die Uw Naam liefhebben.

13
כִּֽי אַתָּה֮ תְּבָרֵ֪ךְ צַ֫דִּ֥יק יְהוָ֑ה כַּ֝/צִּנָּ֗ה רָצ֥וֹן תַּעְטְרֶֽ/נּוּ
STATEN

Want Gij, HEERE, zult den rechtvaardige zegenen; Gij zult hem met goedgunstigheid kronen, als met een rondas.