KETUVIM

Psalmen 58

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֥חַ אַל תַּשְׁחֵ֗ת לְ/דָוִ֥ד מִכְתָּֽם
STATEN

Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altáscheth.

2
הַֽ/אֻמְנָ֗ם אֵ֣לֶם צֶ֭דֶק תְּדַבֵּר֑וּ/ן מֵישָׁרִ֥ים תִּ֝שְׁפְּט֗וּ בְּנֵ֣י אָדָֽם
STATEN

Spreekt gijlieden waarlijk gerechtigheid, gij vergadering? Oordeelt gij billijkheden, gij mensenkinderen?

3
אַף בְּ/לֵב֮ עוֹלֹ֪ת תִּפְעָ֫ל֥וּ/ן בָּ/אָ֡רֶץ חֲמַ֥ס יְ֝דֵי/כֶ֗ם תְּפַלֵּֽסֽוּ/ן
STATEN

Ja, gij werkt ongerechtigheden in het hart; gij weegt het geweld uwer handen op de aarde.

4
זֹ֣רוּ רְשָׁעִ֣ים מֵ/רָ֑חֶם תָּע֥וּ מִ֝/בֶּ֗טֶן דֹּבְרֵ֥י כָזָֽב
STATEN

De goddelozen zijn vervreemd van de baarmoeder aan; de leugensprekers dolen van moeders buik aan.

5
חֲמַת לָ֗/מוֹ כִּ/דְמ֥וּת חֲמַת נָחָ֑שׁ כְּמוֹ פֶ֥תֶן חֵ֝רֵ֗שׁ יַאְטֵ֥ם אָזְנֽ/וֹ
STATEN

Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als een dove adder, die haar oren toestopt;

6
אֲשֶׁ֣ר לֹא יִ֭שְׁמַע לְ/ק֣וֹל מְלַחֲשִׁ֑ים חוֹבֵ֖ר חֲבָרִ֣ים מְחֻכָּֽם
STATEN

Opdat zij niet hore naar de stem der belezers, desgenen, die ervaren is met bezweringen om te gaan.

7
אֱֽלֹהִ֗ים הֲרָס שִׁנֵּ֥י/מוֹ בְּ/פִ֑י/מוֹ מַלְתְּע֥וֹת כְּ֝פִירִ֗ים נְתֹ֣ץ יְהוָֽה
STATEN

O God! verbreek hun tanden in hun mond; breek af de baktanden der jonge leeuwen, o HEERE!

8
חִ֝צָּ֗י/ו יִמָּאֲס֣וּ כְמוֹ מַ֭יִם יִתְהַלְּכוּ לָ֑/מוֹ יִדְרֹ֥ךְ חצ/ו כְּמ֣וֹ יִתְמֹלָֽלוּ
STATEN

Laat hen smelten als water, laat hen daarhenen drijven; legt hij zijn pijlen aan, laat hen zijn, alsof zij afgesneden waren.

9
כְּמ֣וֹ שַׁ֭בְּלוּל תֶּ֣מֶס יַהֲלֹ֑ךְ נֵ֥פֶל אֵ֝֗שֶׁת בַּל חָ֥זוּ שָֽׁמֶשׁ
STATEN

Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, als ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen.

10
בְּ/טֶ֤רֶם יָבִ֣ינוּ סִּֽירֹתֵי/כֶ֣ם אָטָ֑ד כְּמוֹ חַ֥י כְּמוֹ חָ֝ר֗וֹן יִשְׂעָרֶֽ/נּוּ
STATEN

Eer dan uw potten den doornstruik gewaar worden, zal Hij hem als levend, als in heten toorn wegstormen.

11
יִשְׂמַ֣ח צַ֭דִּיק כִּי חָזָ֣ה נָקָ֑ם פְּעָמָ֥י/ו יִ֝רְחַ֗ץ בְּ/דַ֣ם הָ/רָשָֽׁע
STATEN

De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wraak aanschouwt; hij zal zijn voeten wassen in het bloed des goddelozen.

12
וְ/יֹאמַ֣ר אָ֭דָם אַךְ פְּרִ֣י לַ/צַּדִּ֑יק אַ֥ךְ יֵשׁ אֱ֝לֹהִ֗ים שֹׁפְטִ֥ים בָּ/אָֽרֶץ
STATEN

En de mens zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige; immers is er een God, Die op de aarde richt.