Ga naar inhoud
KETUVIM

Psalmen 59

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150151
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
לַ/מְנַצֵּ֣חַ אַל תַּשְׁחֵת֮ לְ/דָוִ֪ד מִ֫כְתָּ֥ם בִּ/שְׁלֹ֥חַ שָׁא֑וּל וַֽ/יִּשְׁמְר֥וּ אֶת הַ֝/בַּ֗יִת לַ/הֲמִיתֽ/וֹ־־׃
STATEN

Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altáscheth; toen Saul gezonden had, die zijn huis bewaren zouden, om hem te doden,

2
הַצִּילֵ֖/נִי מֵ/אֹיְבַ֥/י אֱלֹהָ֑/י מִּ/מִתְקוֹמְמַ֥/י תְּשַׂגְּבֵֽ/נִי׀׃
STATEN

Red mij van mijn vijanden, o mijn God! stel mij in een hoog vertrek voor degenen, die tegen mij opstaan.

3
הַ֭צִּילֵ/נִי מִ/פֹּ֣עֲלֵי אָ֑וֶן וּֽ/מֵ/אַנְשֵׁ֥י דָ֝מִ֗ים הוֹשִׁיעֵֽ/נִי׃
STATEN

Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.

4
כִּ֤י הִנֵּ֪ה אָֽרְב֡וּ לְ/נַפְשִׁ֗/י יָג֣וּרוּ עָלַ֣/י עַזִ֑ים לֹא פִשְׁעִ֖/י וְ/לֹא חַטָּאתִ֣/י יְהוָֽה־־׃
STATEN

Want zie, zij leggen mijner ziel lagen; sterken rotten zich tegen mij; zonder mijn overtreding, en zonder mijn zonde, o HEERE!

5
בְּֽלִי עָ֭וֺן יְרוּצ֣וּ/ן וְ/יִכּוֹנָ֑נוּ ע֖וּרָ/ה לִ/קְרָאתִ֣/י וּ/רְאֵה־׃
STATEN

Zij lopen en bereiden zich zonder mijn misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.

6
וְ/אַתָּ֤ה יְהוָֽה אֱלֹהִ֥ים צְבָא֡וֹת אֱלֹ֘הֵ֤י יִשְׂרָאֵ֗ל הָקִ֗יצָ/ה לִ/פְקֹ֥ד כָּֽל הַ/גּוֹיִ֑ם אַל תָּחֹ֨ן כָּל בֹּ֖גְדֵי אָ֣וֶן סֶֽלָה־׀־־־׃
STATEN

Ja, Gij HEERE, God der heirscharen, God Israëls! ontwaak, om al deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela.

7
יָשׁ֣וּבוּ לָ֭/עֶרֶב יֶהֱמ֥וּ כַ/כָּ֗לֶב וִ/יס֥וֹבְבוּ עִֽיר׃
STATEN

Tegen den avond keren zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.

8
הִנֵּ֤ה יַבִּ֘יע֤וּ/ן בְּ/פִי/הֶ֗ם חֲ֭רָבוֹת בְּ/שִׂפְתוֹתֵי/הֶ֑ם כִּי מִ֥י שֹׁמֵֽעַ׀־׃
STATEN

Zie, zij storten overvloediglijk uit met hun mond; zwaarden zijn op hun lippen; want wie hoort het?

9
וְ/אַתָּ֣ה יְ֭הוָה תִּשְׂחַק לָ֑/מוֹ תִּ֝לְעַ֗ג לְ/כָל גּוֹיִֽם־־׃
STATEN

Maar Gij, HEERE! zult hen belachen; Gij zult alle heidenen bespotten.

10
עֻ֭זּ/וֹ אֵלֶ֣י/ךָ אֶשְׁמֹ֑רָה כִּֽי אֱ֝לֹהִ֗ים מִשְׂגַּבִּֽ/י־׃
STATEN

Tegen zijn sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn Hoog Vertrek.

11
חַסְדִּ֣/י אֱלֹהֵ֣י חסד/ו יְקַדְּמֵ֑/נִי אֱ֝לֹהִ֗ים יַרְאֵ֥/נִי בְ/שֹׁרְרָֽ/י׃
STATEN

De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mij op mijn verspieders doen zien.

12
אַל תַּהַרְגֵ֤/ם פֶּֽן יִשְׁכְּח֬וּ עַמִּ֗/י הֲנִיעֵ֣/מוֹ בְ֭/חֵילְ/ךָ וְ/הוֹרִידֵ֑/מוֹ מָֽגִנֵּ֣/נוּ אֲדֹנָֽ/י־׀־׃
STATEN

Dood hen niet, opdat mijn volk het niet vergete; doe hen omzwerven door Uw macht, en werp hen neder, o Heere, ons Schild!

Op De Naamdragers

Blogs over Psalmen 59

Nog geen artikelen die specifiek naar Psalmen 59 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →