KETUVIM

Psalmen 61

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֬חַ עַֽל נְגִינַ֬ת לְ/דָוִֽד
STATEN

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginôth.

2
שִׁמְעָ֣/ה אֱ֭לֹהִים רִנָּתִ֑/י הַ֝קְשִׁ֗יבָ/ה תְּפִלָּתִֽ/י
STATEN

O God! hoor mijn geschrei, merk op mijn gebed.

3
מִ/קְצֵ֤ה הָ/אָ֨רֶץ אֵלֶ֣י/ךָ אֶ֭קְרָא בַּ/עֲטֹ֣ף לִבִּ֑/י בְּ/צוּר יָר֖וּם מִמֶּ֣/נִּי תַנְחֵֽ/נִי
STATEN

Van het einde des lands roep ik tot U als mijn hart overstelpt is; leid mij op een rotssteen, die mij te hoog zou zijn.

4
כִּֽי הָיִ֣יתָ מַחְסֶ֣ה לִ֑/י מִגְדַּל עֹ֝֗ז מִ/פְּנֵ֥י אוֹיֵֽב
STATEN

Want Gij zijt mij een Toevlucht geweest, een sterke Toren voor den vijand.

5
אָג֣וּרָה בְ֭/אָהָלְ/ךָ עוֹלָמִ֑ים אֶֽחֱסֶ֨ה בְ/סֵ֖תֶר כְּנָפֶ֣י/ךָ סֶּֽלָה
STATEN

Ik zal in Uw hut verkeren in eeuwigheden; ik zal mijn toevlucht nemen in het verborgene Uwer vleugelen. Sela.

6
כִּֽי אַתָּ֣ה אֱ֭לֹהִים שָׁמַ֣עְתָּ לִ/נְדָרָ֑/י נָתַ֥תָּ יְ֝רֻשַּׁ֗ת יִרְאֵ֥י שְׁמֶֽ/ךָ
STATEN

Want Gij, o God! hebt gehoord naar mijn geloften; Gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen, die Uw Naam vrezen.

7
יָמִ֣ים עַל יְמֵי מֶ֣לֶךְ תּוֹסִ֑יף שְׁ֝נוֹתָ֗י/ו כְּמוֹ דֹ֥ר וָ/דֹֽר
STATEN

Gij zult dagen tot des konings dagen toedoen; zijn jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht;

8
יֵשֵׁ֣ב ע֭וֹלָם לִ/פְנֵ֣י אֱלֹהִ֑ים חֶ֥סֶד וֶ֝/אֱמֶ֗ת מַ֣ן יִנְצְרֻֽ/הוּ
STATEN

Hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat zij hem behoeden.

9
כֵּ֤ן אֲזַמְּרָ֣ה שִׁמְ/ךָ֣ לָ/עַ֑ד לְֽ/שַׁלְּמִ֥/י נְדָרַ֗/י י֣וֹם יֽוֹם
STATEN

Zo zal ik Uw Naam psalmzingen in eeuwigheid; opdat ik mijn geloften betale, dag bij dag.