KETUVIM

Psalmen 65

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֥חַ מִזְמ֗וֹר לְ/דָוִ֥ד שִֽׁיר
STATEN

Een psalm van David, een lied, voor den opperzangmeester.

2
לְ/ךָ֤ דֻֽמִיָּ֬ה תְהִלָּ֓ה אֱלֹ֘הִ֥ים בְּ/צִיּ֑וֹן וּ֝/לְ/ךָ֗ יְשֻׁלַּם נֶֽדֶר
STATEN

De lofzang is in stilheid tot U, o God! in Sion; en U zal de gelofte betaald worden.

3
שֹׁמֵ֥עַ תְּפִלָּ֑ה עָ֝דֶ֗י/ךָ כָּל בָּשָׂ֥ר יָבֹֽאוּ
STATEN

Gij hoort het gebed; tot U zal alle vlees komen.

4
דִּבְרֵ֣י עֲ֭וֺנֹת גָּ֣בְרוּ מֶ֑נִּ/י פְּ֝שָׁעֵ֗י/נוּ אַתָּ֥ה תְכַפְּרֵֽ/ם
STATEN

Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen, die verzoent Gij.

5
אַשְׁרֵ֤י תִּֽבְחַ֣ר וּ/תְקָרֵב֮ יִשְׁכֹּ֪ן חֲצֵ֫רֶ֥י/ךָ נִ֭שְׂבְּעָה בְּ/ט֣וּב בֵּיתֶ֑/ךָ קְ֝דֹ֗שׁ הֵיכָלֶֽ/ךָ
STATEN

Welgelukzalig is hij, dien Gij verkiest, en doet naderen, dat hij wone in Uw voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goed van Uw huis, met het heilige van Uw paleis.

6
נ֤וֹרָא֨וֹת בְּ/צֶ֣דֶק תַּ֭עֲנֵ/נוּ אֱלֹהֵ֣י יִשְׁעֵ֑/נוּ מִבְטָ֥ח כָּל קַצְוֵי אֶ֝֗רֶץ וְ/יָ֣ם רְחֹקִֽים
STATEN

Vreselijke dingen zult Gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils! o Vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee!

7
מֵכִ֣ין הָרִ֣ים בְּ/כֹח֑/וֹ נֶ֝אְזָ֗ר בִּ/גְבוּרָֽה
STATEN

Die de bergen vastzet door Zijn kracht, omgord zijnde met macht.

8
מַשְׁבִּ֤יחַ שְׁא֣וֹן יַ֭מִּים שְׁא֥וֹן גַּלֵּי/הֶ֗ם וַ/הֲמ֥וֹן לְאֻמִּֽים
STATEN

Die het bruisen der zeeën stilt, het bruisen harer golven, en het rumoer der volken.

9
וַ/יִּ֤ירְא֨וּ יֹשְׁבֵ֣י קְ֭צָוֺת מֵ/אוֹתֹתֶ֑י/ךָ מ֤וֹצָֽאֵי בֹ֖קֶר וָ/עֶ֣רֶב תַּרְנִֽין
STATEN

En die op de einden wonen, vrezen voor Uw tekenen; Gij doet de uitgangen des morgens en des avonds juichen.

10
פָּקַ֥דְתָּ הָ/אָ֨רֶץ וַ/תְּשֹׁ֪קְקֶ֡/הָ רַבַּ֬ת תַּעְשְׁרֶ֗/נָּה פֶּ֣לֶג אֱ֭לֹהִים מָ֣לֵא מָ֑יִם תָּכִ֥ין דְּ֝גָנָ֗/ם כִּי כֵ֥ן תְּכִינֶֽ/הָ
STATEN

Gij bezoekt het land, en hebbende het begerig gemaakt, verrijkt Gij het grotelijks; de rivier Gods is vol waters; wanneer Gij het alzo bereid hebt, maakt Gij hunlieder koren gereed.

11
תְּלָמֶ֣י/הָ רַ֭וֵּה נַחֵ֣ת גְּדוּדֶ֑י/הָ בִּ/רְבִיבִ֥ים תְּ֝מֹגְגֶ֗/נָּה צִמְחָ֥/הּ תְּבָרֵֽךְ
STATEN

Gij maakt zijn opgeploegde aarde dronken; Gij doet ze dalen in zijn voren; Gij maakt het week door de druppelen; Gij zegent zijn uitspruitsel.

12
עִ֭טַּרְתָּ שְׁנַ֣ת טוֹבָתֶ֑/ךָ וּ֝/מַעְגָּלֶ֗י/ךָ יִרְעֲפ֥וּ/ן דָּֽשֶׁן
STATEN

Gij kroont het jaar Uwer goedheid; en Uw voetstappen druipen van vettigheid.

13
יִ֭רְעֲפוּ נְא֣וֹת מִדְבָּ֑ר וְ֝/גִ֗יל גְּבָע֥וֹת תַּחְגֹּֽרְנָה
STATEN

Zij bedruipen de weiden der woestijn; en de heuvelen zijn aangegord met verheuging.

14
לָבְשׁ֬וּ כָרִ֨ים הַ/צֹּ֗אן וַ/עֲמָקִ֥ים יַֽעַטְפוּ בָ֑ר יִ֝תְרוֹעֲע֗וּ אַף יָשִֽׁירוּ
STATEN

De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij.