Het Woord · Psalmen 68 KETUVIM
Psalmen 68 תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Patronen in dit hoofdstuk▾ Getuigen
WLC i ALEPPO i LXX-RAHLFS i TAHOT i SINAITICUS i STATEN i KJV i ULT i UST i WEB i ASV i DARBY i JPS1917 i
לַ/מְנַצֵּ֥חַ לְ/דָוִ֗ד מִזְמ֥וֹר שִֽׁיר׃
STATEN
Een psalm, een lied van David, voor den opperzangmeester.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
יָק֣וּם אֱ֭לֹהִים יָפ֣וּצוּ אוֹיְבָ֑י/ו וְ/יָנ֥וּסוּ מְ֝שַׂנְאָ֗י/ו מִ/פָּנָֽי/ו׃
STATEN
God zal opstaan, Zijn vijanden zullen verstrooid worden, en Zijn haters zullen van Zijn aangezicht vlieden.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
כְּ/הִנְדֹּ֥ף עָשָׁ֗ן תִּ֫נְדֹּ֥ף כְּ/הִמֵּ֣ס דּ֭וֹנַג מִ/פְּנֵי אֵ֑שׁ יֹאבְד֥וּ רְ֝שָׁעִ֗ים מִ/פְּנֵ֥י אֱלֹהִֽים־׃
STATEN
Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullen de goddelozen vergaan van Gods aangezicht.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
וְֽ/צַדִּיקִ֗ים יִשְׂמְח֣וּ יַֽ֭עַלְצוּ לִ/פְנֵ֥י אֱלֹהִ֗ים וְ/יָשִׂ֥ישׂוּ בְ/שִׂמְחָֽה׃
STATEN
Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden; zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vrolijk zijn.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
שִׁ֤ירוּ לֵֽ/אלֹהִים֮ זַמְּר֪וּ שְׁ֫מ֥/וֹ סֹ֡לּוּ לָ/רֹכֵ֣ב בָּ֭/עֲרָבוֹת בְּ/יָ֥הּ שְׁמ֗/וֹ וְ/עִלְז֥וּ לְ/פָנָֽי/ו׀׃
STATEN
Zingt Gode, psalmzingt Zijn Naam; hoogt de wegen voor Dien, Die in de vlakke velden rijdt, omdat Zijn Naam is HEERE; en springt op van vreugde voor Zijn aangezicht.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
אֲבִ֣י יְ֭תוֹמִים וְ/דַיַּ֣ן אַלְמָנ֑וֹת אֱ֝לֹהִ֗ים בִּ/מְע֥וֹן קָדְשֽׁ/וֹ׃
STATEN
Hij is een Vader der wezen, en een Rechter der weduwen; God, in de woonstede Zijner heiligheid.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
אֱלֹהִ֤ים מ֘וֹשִׁ֤יב יְחִידִ֨ים בַּ֗יְתָ/ה מוֹצִ֣יא אֲ֭סִירִים בַּ/כּוֹשָׁר֑וֹת אַ֥ךְ ס֝וֹרֲרִ֗ים שָׁכְנ֥וּ צְחִיחָֽה׀׀׃
STATEN
Een God, Die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert, die in boeien gevangen zijn; maar de afvalligen wonen in het dorre.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
אֱֽלֹהִ֗ים בְּ֭/צֵאתְ/ךָ לִ/פְנֵ֣י עַמֶּ֑/ךָ בְּ/צַעְדְּ/ךָ֖ בִֽ/ישִׁימ֣וֹן סֶֽלָה׃
STATEN
O God! toen Gij voor het aangezicht Uws volks uittoogt, toen Gij daarhenen tradt in de woestijn; Sela.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
אֶ֤רֶץ רָעָ֨שָׁה אַף שָׁמַ֣יִם נָטְפוּ֮ מִ/פְּנֵ֪י אֱלֹ֫הִ֥ים זֶ֥ה סִינַ֑י מִ/פְּנֵ֥י אֱ֝לֹהִ֗ים אֱלֹהֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל׀־׃
STATEN
Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aanschijn; zelfs deze Sinaï, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israël.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
גֶּ֣שֶׁם נְ֭דָבוֹת תָּנִ֣יף אֱלֹהִ֑ים נַחֲלָתְ/ךָ֥ וְ֝/נִלְאָ֗ה אַתָּ֥ה כֽוֹנַנְתָּֽ/הּ׃
STATEN
Gij hebt zeer milden regen doen druipen, o God! en Gij hebt Uw erfenis gesterkt, als zij mat was geworden.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
חַיָּתְ/ךָ֥ יָֽשְׁבוּ בָ֑/הּ תָּ֤כִ֥ין בְּ/טוֹבָתְ/ךָ֖ לֶ/עָנִ֣י אֱלֹהִֽים־׃
STATEN
Uw hoop woonde daarin; Gij bereiddet ze door Uw goedheid voor den ellendige, o God!
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
אֲדֹנָ֥/י יִתֶּן אֹ֑מֶר הַֽ֝/מְבַשְּׂר֗וֹת צָבָ֥א רָֽב־׃
STATEN
De Heere gaf te spreken; der boodschappers van goede tijdingen was een grote heirschaar.
+ xref
↔ OT/NT + kantt.
← Hoofdstuk 67 ← → navigeer Hoofdstuk 69 →