Ga naar inhoud
KETUVIM

Psalmen 69

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150151
Getuigen
Interlineair
Tekstgrootte
Diff
1
לַ/מְנַצֵּ֬חַ עַֽל שׁוֹשַׁנִּ֬ים לְ/דָוִֽד־׃
STATEN

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Schóschannim.

2
הוֹשִׁיעֵ֥/נִי אֱלֹהִ֑ים כִּ֤י בָ֖אוּ מַ֣יִם עַד נָֽפֶשׁ־׃
STATEN

Verlos mij, o God! want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.

3
טָבַ֤עְתִּי בִּ/יוֵ֣ן מְ֭צוּלָה וְ/אֵ֣ין מָעֳמָ֑ד בָּ֥אתִי בְ/מַעֲמַקֵּי מַ֝֗יִם וְ/שִׁבֹּ֥לֶת שְׁטָפָֽתְ/נִי׀־׃
STATEN

Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.

4
יָגַ֣עְתִּי בְ/קָרְאִ/י֮ נִחַ֪ר גְּר֫וֹנִ֥/י כָּל֥וּ עֵינַ֑/י מְ֝יַחֵ֗ל לֵ/אלֹהָֽ/י׃
STATEN

Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijn keel is ontstoken, mijn ogen zijn bezweken, daar ik ben hopende op mijn God.

5
רַבּ֤וּ מִ/שַּׂעֲר֣וֹת רֹאשִׁ/י֮ שֹׂנְאַ֪/י חִ֫נָּ֥ם עָצְמ֣וּ מַ֭צְמִיתַ/י אֹיְבַ֣/י שֶׁ֑קֶר אֲשֶׁ֥ר לֹא גָ֝זַ֗לְתִּי אָ֣ז אָשִֽׁיב׀־׃
STATEN

Die mij zonder oorzaak haten, zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen, die mij om valse oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb, moet ik alsdan wedergeven.

6
אֱֽלֹהִ֗ים אַתָּ֣ה יָ֭דַעְתָּ לְ/אִוַּלְתִּ֑/י וְ֝/אַשְׁמוֹתַ֗/י מִמְּ/ךָ֥ לֹא נִכְחָֽדוּ־׃
STATEN

O God! Gij weet van mijn dwaasheid, en mijn schulden zijn voor U niet verborgen.

7
אַל יֵ֘בֹ֤שׁוּ בִ֨/י קֹוֶי/ךָ֮ אֲדֹנָ֥/י יְהוִ֗ה צְבָ֫א֥וֹת אַל יִכָּ֣לְמוּ בִ֣/י מְבַקְשֶׁ֑י/ךָ אֱ֝לֹהֵ֗י יִשְׂרָאֵֽל־׀־׃
STATEN

Laat hen door mij niet beschaamd worden, die U verwachten, o Heere, HEERE der heirscharen, laat hen door mij niet te schande worden, die U zoeken, o God Israëls!

8
כִּֽי עָ֭לֶי/ךָ נָשָׂ֣אתִי חֶרְפָּ֑ה כִּסְּתָ֖ה כְלִמָּ֣ה פָנָֽ/י־׃
STATEN

Want om Uwentwil draag ik versmaadheid; schande heeft mijn aangezicht bedekt.

9
מ֭וּזָר הָיִ֣יתִי לְ/אֶחָ֑/י וְ֝/נָכְרִ֗י לִ/בְנֵ֥י אִמִּֽ/י׃
STATEN

Ik ben mijn broederen vreemd geworden, en onbekend aan mijner moeders kinderen.

10
כִּֽי קִנְאַ֣ת בֵּיתְ/ךָ֣ אֲכָלָ֑תְ/נִי וְ/חֶרְפּ֥וֹת ח֝וֹרְפֶ֗י/ךָ נָפְל֥וּ עָלָֽ/י־׃
STATEN

Want de ijver van Uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen, die U smaden, zijn op mij gevallen.

11
וָ/אֶבְכֶּ֣ה בַ/צּ֣וֹם נַפְשִׁ֑/י וַ/תְּהִ֖י לַ/חֲרָפ֣וֹת לִֽ/י׃
STATEN

En ik heb geweend in het vasten mijner ziel; maar het is mij geworden tot allerlei smaad.

12
וָ/אֶתְּנָ֣/ה לְבוּשִׁ֣/י שָׂ֑ק וָ/אֱהִ֖י לָ/הֶ֣ם לְ/מָשָֽׁל׃
STATEN

En ik heb een zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden.

Op De Naamdragers

Blogs over Psalmen 69

Nog geen artikelen die specifiek naar Psalmen 69 verwijzen. Zoek toch op de hoofdsite →