KETUVIM

Psalmen 7

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
שִׁגָּי֗וֹן לְ/דָ֫וִ֥ד אֲשֶׁר שָׁ֥ר לַ/יהוָ֑ה עַל דִּבְרֵי כ֝֗וּשׁ בֶּן יְמִינִֽי
STATEN

Davids Schiggajôn, dat hij den HEERE gezongen heeft, over de woorden van Cusch, den zoon van Jemini.

2
יְהוָ֣ה אֱ֭לֹהַ/י בְּ/ךָ֣ חָסִ֑יתִי הוֹשִׁיעֵ֥/נִי מִ/כָּל רֹ֝דְפַ֗/י וְ/הַצִּילֵֽ/נִי
STATEN

HEERE, mijn God, op U betrouw ik; verlos mij van al mijn vervolgers, en red mij.

3
פֶּן יִטְרֹ֣ף כְּ/אַרְיֵ֣ה נַפְשִׁ֑/י פֹּ֝רֵ֗ק וְ/אֵ֣ין מַצִּֽיל
STATEN

Opdat hij mijn ziel niet rove als een leeuw, verscheurende, terwijl er geen verlosser is.

4
יְהוָ֣ה אֱ֭לֹהַ/י אִם עָשִׂ֣יתִי זֹ֑את אִֽם יֶשׁ עָ֥וֶל בְּ/כַפָּֽ/י
STATEN

HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is;

5
אִם גָּ֭מַלְתִּי שֽׁוֹלְמִ֥/י רָ֑ע וָ/אֲחַלְּצָ֖/ה צוֹרְרִ֣/י רֵיקָֽם
STATEN

Indien ik kwaad vergolden heb dien, die vrede met mij had; (ja, ik heb dien gered, die mij zonder oorzaak benauwde!)

6
יִֽרַדֹּ֥ף אוֹיֵ֨ב נַפְשִׁ֡/י וְ/יַשֵּׂ֗ג וְ/יִרְמֹ֣ס לָ/אָ֣רֶץ חַיָּ֑/י וּ/כְבוֹדִ֓/י לֶ/עָפָ֖ר יַשְׁכֵּ֣ן סֶֽלָה
STATEN

Zo vervolge de vijand mijn ziel, en achterhale ze, en vertrede mijn leven ter aarde, en doe mijn eer in het stof wonen! Sela.

7
ק֘וּמָ֤/ה יְהוָ֨ה בְּ/אַפֶּ֗/ךָ הִ֭נָּשֵׂא בְּ/עַבְר֣וֹת צוֹרְרָ֑/י וְ/ע֥וּרָ/ה אֵ֝לַ֗/י מִשְׁפָּ֥ט צִוִּֽיתָ
STATEN

Sta op, HEERE, in Uw toorn, verhef U om de verbolgenheden mijner benauwers, en ontwaak tot mij; Gij hebt het gericht bevolen.

8
וַ/עֲדַ֣ת לְ֭אֻמִּים תְּסוֹבְבֶ֑/ךָּ וְ֝/עָלֶ֗י/הָ לַ/מָּר֥וֹם שֽׁוּבָ/ה
STATEN

Zo zal de vergadering der volken U omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.

9
יְהוָה֮ יָדִ֪ין עַ֫מִּ֥ים שָׁפְטֵ֥/נִי יְהוָ֑ה כְּ/צִדְקִ֖/י וּ/כְ/תֻמִּ֣/י עָלָֽ/י
STATEN

De HEERE zal den volken recht doen; richt mij, HEERE, naar mijn gerechtigheid, en naar mijn oprechtigheid, die bij mij is.

10
יִגְמָר נָ֬א רַ֨ע רְשָׁעִים֮ וּ/תְכוֹנֵ֪ן צַ֫דִּ֥יק וּ/בֹחֵ֣ן לִ֭בּ֗וֹת וּ/כְלָי֗וֹת אֱלֹהִ֥ים צַדִּֽיק
STATEN

Laat toch de boosheid der goddelozen een einde nemen, maar bevestig den rechtvaardige, Gij, Die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God!

11
מָֽגִנִּ֥/י עַל אֱלֹהִ֑ים מ֝וֹשִׁ֗יעַ יִשְׁרֵי לֵֽב
STATEN

Mijn schild is bij God, Die de oprechten van hart behoudt.

12
אֱ֭לֹהִים שׁוֹפֵ֣ט צַדִּ֑יק וְ֝/אֵ֗ל זֹעֵ֥ם בְּ/כָל יֽוֹם
STATEN

God is een rechtvaardige Rechter, en een God, Die te allen dage toornt.

13
אִם לֹ֣א יָ֭שׁוּב חַרְבּ֣/וֹ יִלְט֑וֹשׁ קַשְׁתּ֥/וֹ דָ֝רַ֗ךְ וַֽ/יְכוֹנְנֶֽ/הָ
STATEN

Indien hij zich niet bekeert, zo zal Hij Zijn zwaard wetten; Hij heeft Zijn boog gespannen, en dien bereid,

14
וְ֭/ל/וֹ הֵכִ֣ין כְּלֵי מָ֑וֶת חִ֝צָּ֗י/ו לְֽ/דֹלְקִ֥ים יִפְעָֽל
STATEN

En heeft dodelijke wapenen voor Zich gereed gemaakt; Hij zal Zijn pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen.

15
הִנֵּ֥ה יְחַבֶּל אָ֑וֶן וְ/הָרָ֥ה עָ֝מָ֗ל וְ/יָ֣לַד שָֽׁקֶר
STATEN

Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.

16
בּ֣וֹר כָּ֭רָֽה וַֽ/יַּחְפְּרֵ֑/הוּ וַ֝/יִּפֹּ֗ל בְּ/שַׁ֣חַת יִפְעָֽל
STATEN

Hij heeft een kuil gedolven, en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve, die hij gemaakt heeft.

17
יָשׁ֣וּב עֲמָל֣/וֹ בְ/רֹאשׁ֑/וֹ וְ/עַ֥ל קָ֝דְקֳד֗/וֹ חֲמָס֥/וֹ יֵרֵֽד
STATEN

Zijn moeite zal op zijn hoofd wederkeren, en zijn geweld op zijn schedel nederdalen.

18
אוֹדֶ֣ה יְהוָ֣ה כְּ/צִדְק֑/וֹ וַ֝/אֲזַמְּרָ֗ה שֵֽׁם יְהוָ֥ה עֶלְיֽוֹן
STATEN

Ik zal den HEERE loven naar Zijn gerechtigheid, en den Naam des HEEREN, des Allerhoogsten, psalmzingen.