KETUVIM

Psalmen 72

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לִ/שְׁלֹמֹ֨ה אֱֽלֹהִ֗ים מִ֭שְׁפָּטֶי/ךָ לְ/מֶ֣לֶךְ תֵּ֑ן וְ/צִדְקָתְ/ךָ֥ לְ/בֶן מֶֽלֶךְ
STATEN

Voor Sálomo. O God! geef den koning Uw rechten, en Uw gerechtigheid den zoon des konings.

2
יָדִ֣ין עַמְּ/ךָ֣ בְ/צֶ֑דֶק וַ/עֲנִיֶּ֥י/ךָ בְ/מִשְׁפָּֽט
STATEN

Zo zal hij Uw volk richten met gerechtigheid, en Uw ellendigen met recht.

3
יִשְׂא֤וּ הָרִ֓ים שָׁ֘ל֥וֹם לָ/עָ֑ם וּ֝/גְבָע֗וֹת בִּ/צְדָקָֽה
STATEN

De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid.

4
יִשְׁפֹּ֤ט עֲֽנִיֵּי עָ֗ם י֭וֹשִׁיעַ לִ/בְנֵ֣י אֶבְי֑וֹן וִֽ/ידַכֵּ֣א עוֹשֵֽׁק
STATEN

Hij zal de ellendigen des volks richten; hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen.

5
יִֽירָא֥וּ/ךָ עִם שָׁ֑מֶשׁ וְ/לִ/פְנֵ֥י יָ֝רֵ֗חַ דּ֣וֹר דּוֹרִֽים
STATEN

Zij zullen U vrezen, zolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht.

6
יֵ֭רֵד כְּ/מָטָ֣ר עַל גֵּ֑ז כִּ֝/רְבִיבִ֗ים זַרְזִ֥יף אָֽרֶץ
STATEN

Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de druppelen, die de aarde bevochtigen.

7
יִֽפְרַח בְּ/יָמָ֥י/ו צַדִּ֑יק וְ/רֹ֥ב שָׁ֝ל֗וֹם עַד בְּלִ֥י יָרֵֽחַ
STATEN

In zijn dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij.

8
וְ֭/יֵרְדְּ מִ/יָּ֣ם עַד יָ֑ם וּ֝/מִ/נָּהָ֗ר עַד אַפְסֵי אָֽרֶץ
STATEN

En hij zal heersen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.

9
לְ֭/פָנָי/ו יִכְרְע֣וּ צִיִּ֑ים וְ֝/אֹיְבָ֗י/ו עָפָ֥ר יְלַחֵֽכוּ
STATEN

De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijn vijanden zullen het stof lekken.

10
מַלְכֵ֬י תַרְשִׁ֣ישׁ וְ֭/אִיִּים מִנְחָ֣ה יָשִׁ֑יבוּ מַלְכֵ֥י שְׁבָ֥א וּ֝/סְבָ֗א אֶשְׁכָּ֥ר יַקְרִֽיבוּ
STATEN

De koningen van Tharsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen; de koningen van Scheba en Seba zullen vereringen toevoeren.

11
וְ/יִשְׁתַּחֲווּ ל֥/וֹ כָל מְלָכִ֑ים כָּל גּוֹיִ֥ם יַֽעַבְדֽוּ/הוּ
STATEN

Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen.

12
כִּֽי יַ֭צִּיל אֶבְי֣וֹן מְשַׁוֵּ֑עַ וְ֝/עָנִ֗י וְֽ/אֵין עֹזֵ֥ר לֽ/וֹ
STATEN

Want hij zal den nooddruftige redden, die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.

13
יָ֭חֹס עַל דַּ֣ל וְ/אֶבְי֑וֹן וְ/נַפְשׁ֖וֹת אֶבְיוֹנִ֣ים יוֹשִֽׁיעַ
STATEN

Hij zal den arme en nooddruftige verschonen, en de zielen der nooddruftigen verlossen.

14
מִ/תּ֣וֹךְ וּ֭/מֵ/חָמָס יִגְאַ֣ל נַפְשָׁ֑/ם וְ/יֵיקַ֖ר דָּמָ֣/ם בְּ/עֵינָֽי/ו
STATEN

Hij zal hun zielen van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijn ogen.

15
וִ/יחִ֗י וְ/יִתֶּן ל/וֹ֮ מִ/זְּהַ֪ב שְׁ֫בָ֥א וְ/יִתְפַּלֵּ֣ל בַּעֲד֣/וֹ תָמִ֑יד כָּל הַ֝/יּ֗וֹם יְבָרֲכֶֽ/נְהֽוּ
STATEN

En hij zal leven; en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal geduriglijk voor hem bidden; den gansen dag zal men hem zegenen.

16
יְהִ֤י פִסַּת בַּ֨ר בָּ/אָרֶץ֮ בְּ/רֹ֪אשׁ הָ֫רִ֥ים יִרְעַ֣שׁ כַּ/לְּבָנ֣וֹן פִּרְי֑/וֹ וְ/יָצִ֥יצוּ מֵ֝/עִ֗יר כְּ/עֵ֣שֶׂב הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Is er een hand vol koren in het land op de hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon; en die van de stad zullen bloeien als het kruid der aarde.

17
יְהִ֤י שְׁמ֨/וֹ לְֽ/עוֹלָ֗ם לִ/פְנֵי שֶׁמֶשׁ֮ ינין שְׁ֫מ֥/וֹ וְ/יִתְבָּ֥רְכוּ ב֑/וֹ כָּל גּוֹיִ֥ם יְאַשְּׁרֽוּ/הוּ יִנּ֪וֹן
STATEN

Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zolang als er de zon is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden; en zij zullen in hem gezegend worden; alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen.

18
בָּר֤וּךְ יְהוָ֣ה אֱ֭לֹהִים אֱלֹהֵ֣י יִשְׂרָאֵ֑ל עֹשֵׂ֖ה נִפְלָא֣וֹת לְ/בַדּֽ/וֹ
STATEN

Geloofd zij de HEERE God, de God Israëls, Die alleen wonderen doet.

19
וּ/בָר֤וּךְ שֵׁ֥ם כְּבוֹד֗/וֹ לְ/ע֫וֹלָ֥ם וְ/יִמָּלֵ֣א כְ֭בוֹד/וֹ אֶת כֹּ֥ל הָ/אָ֗רֶץ אָ֘מֵ֥ן וְ/אָמֵֽן
STATEN

En geloofd zij de Naam Zijner heerlijkheid tot in eeuwigheid; en de ganse aarde worde met Zijn heerlijkheid vervuld. Amen, ja, amen.

20
כָּלּ֥וּ תְפִלּ֑וֹת דָּ֝וִ֗ד בֶּן יִשָֽׁי
STATEN

De gebeden van David, den zoon van Isaï, hebben een einde.