KETUVIM
Psalmen 73
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
מִזְמ֗וֹר לְ/אָ֫סָ֥ף אַ֤ךְ ט֭וֹב לְ/יִשְׂרָאֵ֥ל אֱלֹהִ֗ים לְ/בָרֵ֥י לֵבָֽב׃
STATEN
Een psalm van Asaf. Immers is God Israël goed, dengenen, die rein van harte zijn.
וַ/אֲנִ֗י כִּ֭/מְעַט נטוי רַגְלָ֑/י כְּ֝/אַ֗יִן שפכה אֲשֻׁרָֽ/י נָטָ֣יוּ שֻׁפְּכ֥וּ׃
STATEN
Maar mij aangaande, mijn voeten waren bijna uitgeweken; mijn treden waren bijkans uitgeschoten.
כִּֽי קִ֭נֵּאתִי בַּֽ/הוֹלְלִ֑ים שְׁל֖וֹם רְשָׁעִ֣ים אֶרְאֶֽה־׃
STATEN
Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der goddelozen vrede.
כִּ֤י אֵ֖ין חַרְצֻבּ֥וֹת לְ/מוֹתָ֗/ם וּ/בָרִ֥יא אוּלָֽ/ם׃
STATEN
Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.
בַּ/עֲמַ֣ל אֱנ֣וֹשׁ אֵינֵ֑/מוֹ וְ/עִם אָ֝דָ֗ם לֹ֣א יְנֻגָּֽעוּ־׃
STATEN
Zij zijn niet in de moeite als andere mensen, en worden met andere mensen niet geplaagd.
לָ֭/כֵן עֲנָקַ֣תְ/מוֹ גַאֲוָ֑ה יַעֲטָף שִׁ֝֗ית חָמָ֥ס לָֽ/מוֹ־׃
STATEN
Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.
יָ֭צָא מֵ/חֵ֣לֶב עֵינֵ֑/מוֹ עָ֝בְר֗וּ מַשְׂכִּיּ֥וֹת לֵבָֽב׃
STATEN
Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.
יָמִ֤יקוּ וִ/ידַבְּר֣וּ בְ/רָ֣ע עֹ֑שֶׁק מִ/מָּר֥וֹם יְדַבֵּֽרוּ׀׃
STATEN
Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.
שַׁתּ֣וּ בַ/שָּׁמַ֣יִם פִּי/הֶ֑ם וּ֝/לְשׁוֹנָ֗/ם תִּֽהֲלַ֥ךְ בָּ/אָֽרֶץ׃
STATEN
Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.
לָ/כֵ֤ן ישיב עַמּ֣/וֹ הֲלֹ֑ם וּ/מֵ֥י מָ֝לֵ֗א יִמָּ֥צוּ לָֽ/מוֹ׀׃ יָשׁ֣וּב
STATEN
Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,
וְֽ/אָמְר֗וּ אֵיכָ֥ה יָדַֽע אֵ֑ל וְ/יֵ֖שׁ דֵּעָ֣ה בְ/עֶלְיֽוֹן־׃
STATEN
Dat zij zeggen: Hoe zou het God weten, en zou er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?
הִנֵּה אֵ֥לֶּה רְשָׁעִ֑ים וְ/שַׁלְוֵ֥י ע֝וֹלָ֗ם הִשְׂגּוּ חָֽיִל־־׃
STATEN
Ziet, dezen zijn goddeloos; nochtans hebben zij rust in de wereld; zij vermenigvuldigen het vermogen.