KETUVIM
Psalmen 76
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
לַ/מְנַצֵּ֥חַ בִּ/נְגִינֹ֑ת מִזְמ֖וֹר לְ/אָסָ֣ף שִֽׁיר׃
STATEN
Een psalm, een lied van Asaf, voor den opperzangmeester, op de Neginôth.
נוֹדָ֣ע בִּֽ/יהוּדָ֣ה אֱלֹהִ֑ים בְּ֝/יִשְׂרָאֵ֗ל גָּד֥וֹל שְׁמֽ/וֹ׃
STATEN
God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israël.
וַ/יְהִ֣י בְ/שָׁלֵ֣ם סֻכּ֑/וֹ וּ/מְע֖וֹנָת֣/וֹ בְ/צִיּֽוֹן׃
STATEN
En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion.
שָׁ֭מָּ/ה שִׁבַּ֣ר רִשְׁפֵי קָ֑שֶׁת מָגֵ֬ן וְ/חֶ֖רֶב וּ/מִלְחָמָ֣ה סֶֽלָה־׃
STATEN
Aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van den boog, het schild, en het zwaard, en den krijg. Sela.
נָ֭אוֹר אַתָּ֥ה אַדִּ֗יר מֵֽ/הַרְרֵי טָֽרֶף־׃
STATEN
Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.
אֶשְׁתּוֹלְל֨וּ אַבִּ֣ירֵי לֵ֭ב נָמ֣וּ שְׁנָתָ֑/ם וְ/לֹא מָצְא֖וּ כָל אַנְשֵׁי חַ֣יִל יְדֵי/הֶֽם׀־־־׃
STATEN
De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden.
מִ֭/גַּעֲרָ֣תְ/ךָ אֱלֹהֵ֣י יַעֲקֹ֑ב נִ֝רְדָּ֗ם וְ/רֶ֣כֶב וָ/סֽוּס׃
STATEN
Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken.
אַתָּ֤ה נ֥וֹרָא אַ֗תָּה וּ/מִֽי יַעֲמֹ֥ד לְ/פָנֶ֗י/ךָ מֵ/אָ֥ז אַפֶּֽ/ךָ׀־׃
STATEN
Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af?
מִ֭/שָּׁמַיִם הִשְׁמַ֣עְתָּ דִּ֑ין אֶ֖רֶץ יָֽרְאָ֣ה וְ/שָׁקָֽטָה׃
STATEN
Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil.
בְּ/קוּם לַ/מִּשְׁפָּ֥ט אֱלֹהִ֑ים לְ/הוֹשִׁ֖יעַ כָּל עַנְוֵי אֶ֣רֶץ סֶֽלָה־־־׃
STATEN
Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela.
כִּֽי חֲמַ֣ת אָדָ֣ם תּוֹדֶ֑/ךָּ שְׁאֵרִ֖ית חֵמֹ֣ת תַּחְגֹּֽר־׃
STATEN
Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.
נִֽדֲר֣וּ וְ/שַׁלְּמוּ֮ לַ/יהוָ֪ה אֱֽלֹהֵ֫י/כֶ֥ם כָּל סְבִיבָ֑י/ו יוֹבִ֥ילוּ שַׁ֝֗י לַ/מּוֹרָֽא־׃
STATEN
Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God, gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen;