KETUVIM

Psalmen 76

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֥חַ בִּ/נְגִינֹ֑ת מִזְמ֖וֹר לְ/אָסָ֣ף שִֽׁיר
STATEN

Een psalm, een lied van Asaf, voor den opperzangmeester, op de Neginôth.

2
נוֹדָ֣ע בִּֽ/יהוּדָ֣ה אֱלֹהִ֑ים בְּ֝/יִשְׂרָאֵ֗ל גָּד֥וֹל שְׁמֽ/וֹ
STATEN

God is bekend in Juda; Zijn Naam is groot in Israël.

3
וַ/יְהִ֣י בְ/שָׁלֵ֣ם סֻכּ֑/וֹ וּ/מְע֖וֹנָת֣/וֹ בְ/צִיּֽוֹן
STATEN

En in Salem is Zijn hut, en Zijn woning in Sion.

4
שָׁ֭מָּ/ה שִׁבַּ֣ר רִשְׁפֵי קָ֑שֶׁת מָגֵ֬ן וְ/חֶ֖רֶב וּ/מִלְחָמָ֣ה סֶֽלָה
STATEN

Aldaar heeft Hij verbroken de vurige pijlen van den boog, het schild, en het zwaard, en den krijg. Sela.

5
נָ֭אוֹר אַתָּ֥ה אַדִּ֗יר מֵֽ/הַרְרֵי טָֽרֶף
STATEN

Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.

6
אֶשְׁתּוֹלְל֨וּ אַבִּ֣ירֵי לֵ֭ב נָמ֣וּ שְׁנָתָ֑/ם וְ/לֹא מָצְא֖וּ כָל אַנְשֵׁי חַ֣יִל יְדֵי/הֶֽם
STATEN

De stouthartigen zijn beroofd geworden; zij hebben hun slaap gesluimerd; en geen van de dappere mannen hebben hun handen gevonden.

7
מִ֭/גַּעֲרָ֣תְ/ךָ אֱלֹהֵ֣י יַעֲקֹ֑ב נִ֝רְדָּ֗ם וְ/רֶ֣כֶב וָ/סֽוּס
STATEN

Van Uw schelden, o God van Jakob! is samen wagen en paard in slaap gezonken.

8
אַתָּ֤ה נ֥וֹרָא אַ֗תָּה וּ/מִֽי יַעֲמֹ֥ד לְ/פָנֶ֗י/ךָ מֵ/אָ֥ז אַפֶּֽ/ךָ
STATEN

Gij, vreselijk zijt Gij; en wie zal voor Uw aangezicht bestaan, van den tijd Uws toorns af?

9
מִ֭/שָּׁמַיִם הִשְׁמַ֣עְתָּ דִּ֑ין אֶ֖רֶץ יָֽרְאָ֣ה וְ/שָׁקָֽטָה
STATEN

Gij deedt een oordeel horen uit den hemel; de aarde vreesde en werd stil.

10
בְּ/קוּם לַ/מִּשְׁפָּ֥ט אֱלֹהִ֑ים לְ/הוֹשִׁ֖יעַ כָּל עַנְוֵי אֶ֣רֶץ סֶֽלָה
STATEN

Als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela.

11
כִּֽי חֲמַ֣ת אָדָ֣ם תּוֹדֶ֑/ךָּ שְׁאֵרִ֖ית חֵמֹ֣ת תַּחְגֹּֽר
STATEN

Want de grimmigheid des mensen zal U loffelijk maken; het overblijfsel der grimmigheden zult Gij opbinden.

12
נִֽדֲר֣וּ וְ/שַׁלְּמוּ֮ לַ/יהוָ֪ה אֱֽלֹהֵ֫י/כֶ֥ם כָּל סְבִיבָ֑י/ו יוֹבִ֥ילוּ שַׁ֝֗י לַ/מּוֹרָֽא
STATEN

Doet geloften en betaalt ze den HEERE, uw God, gij allen, die rondom Hem zijt! Laat hen Dien, Die te vrezen is, geschenken brengen;

13
יִ֭בְצֹר ר֣וּחַ נְגִידִ֑ים נ֝וֹרָ֗א לְ/מַלְכֵי אָֽרֶץ
STATEN

Die den geest der vorsten als druiven afsnijdt; Die den koningen der aarde vreselijk is.