KETUVIM

Psalmen 78

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
מַשְׂכִּ֗יל לְ/אָ֫סָ֥ף הַאֲזִ֣ינָ/ה עַ֭מִּ/י תּוֹרָתִ֑/י הַטּ֥וּ אָ֝זְנְ/כֶ֗ם לְ/אִמְרֵי פִֽ/י
STATEN

Een onderwijzing van Asaf. O mijn volk! neem mijn leer ter oren; neigt ulieder oor tot de redenen mijns monds.

2
אֶפְתְּחָ֣ה בְ/מָשָׁ֣ל פִּ֑/י אַבִּ֥יעָה חִ֝יד֗וֹת מִנִּי קֶֽדֶם
STATEN

Ik zal mijn mond opendoen met spreuken; ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten, van ouds her;

3
אֲשֶׁ֣ר שָׁ֭מַעְנוּ וַ/נֵּדָעֵ֑/ם וַ֝/אֲבוֹתֵ֗י/נוּ סִפְּרוּ לָֽ/נוּ
STATEN

Die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.

4
לֹ֤א נְכַחֵ֨ד מִ/בְּנֵי/הֶ֗ם לְ/ד֥וֹר אַחֲר֗וֹן מְֽ֭סַפְּרִים תְּהִלּ֣וֹת יְהוָ֑ה וֶ/עֱזוּז֥/וֹ וְ֝/נִפְלְאוֹתָ֗י/ו אֲשֶׁ֣ר עָשָֽׂה
STATEN

Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.

5
וַ/יָּ֤קֶם עֵד֨וּת בְּֽ/יַעֲקֹ֗ב וְ/תוֹרָה֮ שָׂ֤ם בְּ/יִשְׂרָ֫אֵ֥ל אֲשֶׁ֣ר צִ֭וָּה אֶת אֲבוֹתֵ֑י/נוּ לְ֝/הוֹדִיעָ֗/ם לִ/בְנֵי/הֶֽם
STATEN

Want Hij heeft een getuigenis opgericht in Jakob, en een wet gesteld in Israël; die Hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hun kinderen zouden bekend maken;

6
לְמַ֤עַן יֵדְע֨וּ דּ֣וֹר אַ֭חֲרוֹן בָּנִ֣ים יִוָּלֵ֑דוּ יָ֝קֻ֗מוּ וִֽ/יסַפְּר֥וּ לִ/בְנֵי/הֶֽם
STATEN

Opdat het navolgende geslacht die weten zou, de kinderen, die geboren zouden worden; en zouden opstaan, en vertellen ze hun kinderen;

7
וְ/יָשִׂ֥ימוּ בֵֽ/אלֹהִ֗ים כִּ֫סְלָ֥/ם וְ/לֹ֣א יִ֭שְׁכְּחוּ מַֽעַלְלֵי אֵ֑ל וּ/מִצְוֺתָ֥י/ו יִנְצֹֽרוּ
STATEN

En dat zij hun hoop op God zouden stellen, en Gods daden niet vergeten, maar Zijn geboden bewaren;

8
וְ/לֹ֤א יִהְי֨וּ כַּ/אֲבוֹתָ֗/ם דּוֹר֮ סוֹרֵ֪ר וּ/מֹ֫רֶ֥ה דּ֭וֹר לֹא הֵכִ֣ין לִבּ֑/וֹ וְ/לֹא נֶאֶמְנָ֖ה אֶת אֵ֣ל רוּחֽ/וֹ
STATEN

En dat zij niet zouden worden gelijk hun vaders, een wederhorig en wederspannig geslacht; een geslacht, dat zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God.

9
בְּֽנֵי אֶפְרַ֗יִם נוֹשְׁקֵ֥י רוֹמֵי קָ֑שֶׁת הָ֝פְכ֗וּ בְּ/י֣וֹם קְרָֽב
STATEN

(De kinderen van Efraïm, gewapende boogschutters, keerden om ten dage des strijds.)

10
לֹ֣א שָׁ֭מְרוּ בְּרִ֣ית אֱלֹהִ֑ים וּ֝/בְ/תוֹרָת֗/וֹ מֵאֲנ֥וּ לָ/לֶֽכֶת
STATEN

Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in Zijn wet.

11
וַ/יִּשְׁכְּח֥וּ עֲלִילוֹתָ֑י/ו וְ֝/נִפְלְאוֹתָ֗י/ו אֲשֶׁ֣ר הֶרְאָֽ/ם
STATEN

En zij vergaten Zijn daden, en Zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.

12
נֶ֣גֶד אֲ֭בוֹתָ/ם עָ֣שָׂה פֶ֑לֶא בְּ/אֶ֖רֶץ מִצְרַ֣יִם שְׂדֵה צֹֽעַן
STATEN

Voor hun vaderen had Hij wonder gedaan, in Egypteland, in het veld van Zoan.

13
בָּ֣קַע יָ֭ם וַ/יַּֽעֲבִירֵ֑/ם וַֽ/יַּצֶּב מַ֥יִם כְּמוֹ נֵֽד
STATEN

Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop.

14
וַ/יַּנְחֵ֣/ם בֶּ/עָנָ֣ן יוֹמָ֑ם וְ/כָל הַ֝/לַּ֗יְלָה בְּ/א֣וֹר אֵֽשׁ
STATEN

En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs.

15
יְבַקַּ֣ע צֻ֭רִים בַּ/מִּדְבָּ֑ר וַ֝/יַּ֗שְׁקְ כִּ/תְהֹמ֥וֹת רַבָּֽה
STATEN

Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.

16
וַ/יּוֹצִ֣א נוֹזְלִ֣ים מִ/סָּ֑לַע וַ/יּ֖וֹרֶד כַּ/נְּהָר֣וֹת מָֽיִם
STATEN

Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.

17
וַ/יּוֹסִ֣יפוּ ע֭וֹד לַ/חֲטֹא ל֑/וֹ לַֽ/מְר֥וֹת עֶ֝לְי֗וֹן בַּ/צִּיָּֽה
STATEN

Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.

18
וַ/יְנַסּוּ אֵ֥ל בִּ/לְבָבָ֑/ם לִֽ/שְׁאָל אֹ֥כֶל לְ/נַפְשָֽׁ/ם
STATEN

En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.

19
וַֽ/יְדַבְּר֗וּ בֵּֽ/אלֹ֫הִ֥ים אָ֭מְרוּ הֲ/י֣וּכַל אֵ֑ל לַ/עֲרֹ֥ךְ שֻׁ֝לְחָ֗ן בַּ/מִּדְבָּֽר
STATEN

En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?

20
הֵ֤ן הִכָּה צ֨וּר וַ/יָּז֣וּבוּ מַיִם֮ וּ/נְחָלִ֪ים יִ֫שְׁטֹ֥פוּ הֲ/גַם לֶ֭חֶם י֣וּכַל תֵּ֑ת אִם יָכִ֖ין שְׁאֵ֣ר לְ/עַמּֽ/וֹ
STATEN

Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?

21
לָ/כֵ֤ן שָׁמַ֥ע יְהוָ֗ה וַֽ/יִּתְעַבָּ֥ר וְ֭/אֵשׁ נִשְּׂקָ֣ה בְ/יַעֲקֹ֑ב וְ/גַם אַ֝֗ף עָלָ֥ה בְ/יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

Daarom hoorde de HEERE, en werd verbolgen; en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israël;

22
כִּ֤י לֹ֣א הֶ֭אֱמִינוּ בֵּ/אלֹהִ֑ים וְ/לֹ֥א בָ֝טְח֗וּ בִּֽ/ישׁוּעָתֽ/וֹ
STATEN

Omdat zij in God niet geloofden, en op Zijn heil niet vertrouwden.

23
וַ/יְצַ֣ו שְׁחָקִ֣ים מִ/מָּ֑עַל וְ/דַלְתֵ֖י שָׁמַ֣יִם פָּתָֽח
STATEN

Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende;

24
וַ/יַּמְטֵ֬ר עֲלֵי/הֶ֣ם מָ֣ן לֶ/אֱכֹ֑ל וּ/דְגַן שָׁ֝מַ֗יִם נָ֣תַן לָֽ/מוֹ
STATEN

En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren.

25
לֶ֣חֶם אַ֭בִּירִים אָ֣כַל אִ֑ישׁ צֵידָ֬ה שָׁלַ֖ח לָ/הֶ֣ם לָ/שֹֽׂבַע
STATEN

Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.

26
יַסַּ֣ע קָ֭דִים בַּ/שָּׁמָ֑יִם וַ/יְנַהֵ֖ג בְּ/עֻזּ֣/וֹ תֵימָֽן
STATEN

Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte;

27
וַ/יַּמְטֵ֬ר עֲלֵי/הֶ֣ם כֶּ/עָפָ֣ר שְׁאֵ֑ר וּֽ/כְ/ח֥וֹל יַ֝מִּ֗ים ע֣וֹף כָּנָֽף
STATEN

En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeën;

28
וַ֭/יַּפֵּל בְּ/קֶ֣רֶב מַחֲנֵ֑/הוּ סָ֝בִ֗יב לְ/מִשְׁכְּנֹתָֽי/ו
STATEN

En deed het vallen in het midden Zijns legers, rondom Zijn woningen.

29
וַ/יֹּאכְל֣וּ וַ/יִּשְׂבְּע֣וּ מְאֹ֑ד וְ֝/תַֽאֲוָתָ֗/ם יָבִ֥א לָ/הֶֽם
STATEN

Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.

30
לֹא זָר֥וּ מִ/תַּאֲוָתָ֑/ם ע֝֗וֹד אָכְלָ֥/ם בְּ/פִי/הֶֽם
STATEN

Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,

31
וְ/אַ֤ף אֱלֹהִ֨ים עָ֘לָ֤ה בָ/הֶ֗ם וַֽ֭/יַּהֲרֹג בְּ/מִשְׁמַנֵּי/הֶ֑ם וּ/בַחוּרֵ֖י יִשְׂרָאֵ֣ל הִכְרִֽיעַ
STATEN

Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israël nedervelde.

32
בְּ/כָל זֹ֭את חָֽטְאוּ ע֑וֹד וְ/לֹֽא הֶ֝אֱמִ֗ינוּ בְּ/נִפְלְאוֹתָֽי/ו
STATEN

Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.

33
וַ/יְכַל בַּ/הֶ֥בֶל יְמֵי/הֶ֑ם וּ֝/שְׁנוֹתָ֗/ם בַּ/בֶּהָלָֽה
STATEN

Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.

34
אִם הֲרָגָ֥/ם וּ/דְרָשׁ֑וּ/הוּ וְ֝/שָׁ֗בוּ וְ/שִֽׁחֲרוּ אֵֽל
STATEN

Als Hij hen doodde, zo vraagden zij naar Hem, en keerden weder, en zochten God vroeg;

35
וַֽ֭/יִּזְכְּרוּ כִּֽי אֱלֹהִ֣ים צוּרָ֑/ם וְ/אֵ֥ל עֶ֝לְיוֹן גֹּאֲלָֽ/ם
STATEN

En gedachten, dat God hun Rotssteen was, en God, de Allerhoogste, hun Verlosser.

36
וַ/יְפַתּ֥וּ/הוּ בְּ/פִי/הֶ֑ם וּ֝/בִ/לְשׁוֹנָ֗/ם יְכַזְּבוּ לֽ/וֹ
STATEN

En zij vleiden Hem met hun mond, en logen Hem met hun tong.

37
וְ֭/לִבָּ/ם לֹא נָכ֣וֹן עִמּ֑/וֹ וְ/לֹ֥א נֶ֝אֶמְנ֗וּ בִּ/בְרִיתֽ/וֹ
STATEN

Want hun hart was niet recht met Hem, en zij waren niet getrouw in Zijn verbond.

38
וְ/ה֤וּא רַח֨וּם יְכַפֵּ֥ר עָוֺן֮ וְֽ/לֹא יַ֫שְׁחִ֥ית וְ֭/הִרְבָּה לְ/הָשִׁ֣יב אַפּ֑/וֹ וְ/לֹֽא יָ֝עִיר כָּל חֲמָתֽ/וֹ
STATEN

Doch Hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf hen niet; maar wendde dikwijls Zijn toorn af, en wekte Zijn ganse grimmigheid niet op.

39
וַ֭/יִּזְכֹּר כִּי בָשָׂ֣ר הֵ֑מָּה ר֥וּחַ ה֝וֹלֵ֗ךְ וְ/לֹ֣א יָשֽׁוּב
STATEN

En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert.

40
כַּ֭/מָּה יַמְר֣וּ/הוּ בַ/מִּדְבָּ֑ר יַ֝עֲצִיב֗וּ/הוּ בִּֽ/ישִׁימֽוֹן
STATEN

Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!

41
וַ/יָּשׁ֣וּבוּ וַ/יְנַסּ֣וּ אֵ֑ל וּ/קְד֖וֹשׁ יִשְׂרָאֵ֣ל הִתְווּ
STATEN

Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israëls een perk.

42
לֹא זָכְר֥וּ אֶת יָד֑/וֹ י֝֗וֹם אֲֽשֶׁר פָּדָ֥/ם מִנִּי צָֽר
STATEN

Zij dachten niet aan Zijn hand, aan den dag, toen Hij hen van den wederpartijder verloste;

43
אֲשֶׁר שָׂ֣ם בְּ֭/מִצְרַיִם אֹֽתוֹתָ֑י/ו וּ֝/מוֹפְתָ֗י/ו בִּ/שְׂדֵה צֹֽעַן
STATEN

Hoe Hij Zijn tekenen stelde in Egypte, en Zijn wonderheden in het veld van Zoan;

44
וַ/יַּהֲפֹ֣ךְ לְ֭/דָם יְאֹרֵי/הֶ֑ם וְ֝/נֹזְלֵי/הֶ֗ם בַּל יִשְׁתָּיֽוּ/ן
STATEN

En hun vloeden in bloed veranderde, en hun stromen, opdat zij niet zouden drinken.

45
יְשַׁלַּ֬ח בָּ/הֶ֣ם עָ֭רֹב וַ/יֹּאכְלֵ֑/ם וּ֝/צְפַרְדֵּ֗עַ וַ/תַּשְׁחִיתֵֽ/ם
STATEN

Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven.

46
וַ/יִּתֵּ֣ן לֶ/חָסִ֣יל יְבוּלָ֑/ם וִֽ֝/יגִיעָ֗/ם לָ/אַרְבֶּֽה
STATEN

En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan.

47
יַהֲרֹ֣ג בַּ/בָּרָ֣ד גַּפְנָ֑/ם וְ֝/שִׁקְמוֹתָ֗/ם בַּֽ/חֲנָמַֽל
STATEN

Hij doodde hun wijnstok door den hagel, en hun wilde vijgebomen door vurigen hagelsteen.

48
וַ/יַּסְגֵּ֣ר לַ/בָּרָ֣ד בְּעִירָ֑/ם וּ֝/מִקְנֵי/הֶ֗ם לָ/רְשָׁפִֽים
STATEN

Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.

49
יְשַׁלַּח בָּ֨/ם חֲר֬וֹן אַפּ֗/וֹ עֶבְרָ֣ה וָ/זַ֣עַם וְ/צָרָ֑ה מִ֝שְׁלַ֗חַת מַלְאֲכֵ֥י רָעִֽים
STATEN

Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads.

50
יְפַלֵּ֥ס נָתִ֗יב לְ/אַ֫פּ֥/וֹ לֹא חָשַׂ֣ךְ מִ/מָּ֣וֶת נַפְשָׁ֑/ם וְ֝/חַיָּתָ֗/ם לַ/דֶּ֥בֶר הִסְגִּֽיר
STATEN

Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.

51
וַ/יַּ֣ךְ כָּל בְּכ֣וֹר בְּ/מִצְרָ֑יִם רֵאשִׁ֥ית א֝וֹנִ֗ים בְּ/אָהֳלֵי חָֽם
STATEN

En Hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, het beginsel der krachten in de tenten van Cham.

52
וַ/יַּסַּ֣ע כַּ/צֹּ֣אן עַמּ֑/וֹ וַֽ/יְנַהֲגֵ֥/ם כַּ֝/עֵ֗דֶר בַּ/מִּדְבָּֽר
STATEN

En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.

53
וַ/יַּנְחֵ֣/ם לָ֭/בֶטַח וְ/לֹ֣א פָחָ֑דוּ וְ/אֶת א֝וֹיְבֵי/הֶ֗ם כִּסָּ֥ה הַ/יָּֽם
STATEN

Ja, Hij leidde hen zeker, zodat zij niet vreesden; want de zee had hun vijanden overdekt.

54
וַ֭/יְבִיאֵ/ם אֶל גְּב֣וּל קָדְשׁ֑/וֹ הַר זֶ֝֗ה קָנְתָ֥ה יְמִינֽ/וֹ
STATEN

En Hij bracht hen tot de landpale Zijner heiligheid, tot dezen berg, dien Zijn rechterhand verkregen heeft.

55
וַ/יְגָ֤רֶשׁ מִ/פְּנֵי/הֶ֨ם גּוֹיִ֗ם וַֽ֭/יַּפִּילֵ/ם בְּ/חֶ֣בֶל נַחֲלָ֑ה וַ/יַּשְׁכֵּ֥ן בְּ֝/אָהֳלֵי/הֶ֗ם שִׁבְטֵ֥י יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israëls in hun tenten wonen.

56
וַ/יְנַסּ֣וּ וַ֭/יַּמְרוּ אֶת אֱלֹהִ֣ים עֶלְי֑וֹן וְ֝/עֵדוֹתָ֗י/ו לֹ֣א שָׁמָֽרוּ
STATEN

Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet.

57
וַ/יִּסֹּ֣גוּ וַֽ֭/יִּבְגְּדוּ כַּ/אֲבוֹתָ֑/ם נֶ֝הְפְּכ֗וּ כְּ/קֶ֣שֶׁת רְמִיָּֽה
STATEN

En zij weken terug, en handelden trouwelooslijk, gelijk hun vaders; zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog.

58
וַ/יַּכְעִיס֥וּ/הוּ בְּ/בָמוֹתָ֑/ם וּ֝/בִ/פְסִילֵי/הֶ֗ם יַקְנִיאֽוּ/הוּ
STATEN

En zij verwekten Hem tot toorn door hun hoogten, en verwekten Hem tot ijver door hun gesneden beelden.

59
שָׁמַ֣ע אֱ֭לֹהִים וַֽ/יִּתְעַבָּ֑ר וַ/יִּמְאַ֥ס מְ֝אֹ֗ד בְּ/יִשְׂרָאֵֽל
STATEN

God hoorde het en werd verbolgen, en versmaadde Israël zeer.

60
וַ֭/יִּטֹּשׁ מִשְׁכַּ֣ן שִׁל֑וֹ אֹ֝֗הֶל שִׁכֵּ֥ן בָּ/אָדָֽם
STATEN

Dies verliet Hij den tabernakel te Silo, de tent, die Hij tot een woning gesteld had onder de mensen.

61
וַ/יִּתֵּ֣ן לַ/שְּׁבִ֣י עֻזּ֑/וֹ וְֽ/תִפְאַרְתּ֥/וֹ בְ/יַד צָֽר
STATEN

En Hij gaf Zijn sterkte in de gevangenis, en Zijn heerlijkheid in de hand des wederpartijders.

62
וַ/יַּסְגֵּ֣ר לַ/חֶ֣רֶב עַמּ֑/וֹ וּ֝/בְ/נַחֲלָת֗/וֹ הִתְעַבָּֽר
STATEN

En Hij leverde Zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen Zijn erfenis.

63
בַּחוּרָ֥י/ו אָֽכְלָה אֵ֑שׁ וּ֝/בְתוּלֹתָ֗י/ו לֹ֣א הוּלָּֽלוּ
STATEN

Het vuur verteerde hun jongelingen, en hun jonge dochters werden niet geprezen.

64
כֹּ֭הֲנָי/ו בַּ/חֶ֣רֶב נָפָ֑לוּ וְ֝/אַלְמְנֹתָ֗י/ו לֹ֣א תִבְכֶּֽינָה
STATEN

Hun priesters vielen door het zwaard, en hun weduwen weenden niet.

65
וַ/יִּקַ֖ץ כְּ/יָשֵׁ֥ן אֲדֹנָ֑/י כְּ֝/גִבּ֗וֹר מִתְרוֹנֵ֥ן מִ/יָּֽיִן
STATEN

Toen ontwaakte de Heere, als een slapende, als een held, die juicht van den wijn.

66
וַ/יַּךְ צָרָ֥י/ו אָח֑וֹר חֶרְפַּ֥ת ע֝וֹלָ֗ם נָ֣תַן לָֽ/מוֹ
STATEN

En Hij sloeg Zijn wederpartijders aan het achterste; Hij deed hun eeuwige smaadheid aan.

67
וַ֭/יִּמְאַס בְּ/אֹ֣הֶל יוֹסֵ֑ף וּֽ/בְ/שֵׁ֥בֶט אֶ֝פְרַ֗יִם לֹ֣א בָחָֽר
STATEN

Doch Hij verwierp de tent van Jozef, en den stam van Efraïm verkoos Hij niet.

68
וַ֭/יִּבְחַר אֶת שֵׁ֣בֶט יְהוּדָ֑ה אֶֽת הַ֥ר צִ֝יּ֗וֹן אֲשֶׁ֣ר אָהֵֽב
STATEN

Maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg Sion, dien Hij liefhad.

69
וַ/יִּ֣בֶן כְּמוֹ רָ֭מִים מִקְדָּשׁ֑/וֹ כְּ֝/אֶ֗רֶץ יְסָדָ֥/הּ לְ/עוֹלָֽם
STATEN

En Hij bouwde Zijn heiligdom als hoogten, als de aarde, die Hij gegrond heeft in eeuwigheid.

70
וַ֭/יִּבְחַר בְּ/דָוִ֣ד עַבְדּ֑/וֹ וַ֝/יִּקָּחֵ֗/הוּ מִֽ/מִּכְלְאֹ֥ת צֹֽאן
STATEN

En Hij verkoos Zijn knecht David, en nam hem van de schaapskooien;

71
מֵ/אַחַ֥ר עָל֗וֹת הֱ֫בִיא֥/וֹ לִ֭/רְעוֹת בְּ/יַעֲקֹ֣ב עַמּ֑/וֹ וּ֝/בְ/יִשְׂרָאֵ֗ל נַחֲלָתֽ/וֹ
STATEN

Van achter de zogende schapen deed Hij hem komen, om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn erfenis.

72
וַ֭/יִּרְעֵ/ם כְּ/תֹ֣ם לְבָב֑/וֹ וּ/בִ/תְבוּנ֖וֹת כַּפָּ֣י/ו יַנְחֵֽ/ם
STATEN

Ook heeft hij hen geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft hen geleid met een zeer verstandig beleid zijner handen.