KETUVIM

Psalmen 79

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
מִזְמ֗וֹר לְ/אָ֫סָ֥ף אֱֽלֹהִ֡ים בָּ֤אוּ גוֹיִ֨ם בְּֽ/נַחֲלָתֶ֗/ךָ טִ֭מְּאוּ אֶת הֵיכַ֣ל קָדְשֶׁ֑/ךָ שָׂ֖מוּ אֶת יְרוּשָׁלִַ֣ם לְ/עִיִּֽים
STATEN

Een psalm van Asaf. O God! Heidenen zijn gekomen in Uw erfenis; zij hebben den tempel Uwer heiligheid verontreinigd; zij hebben Jeruzalem tot steenhopen gesteld.

2
נָֽתְנ֡וּ אֶת נִבְלַ֬ת עֲבָדֶ֗י/ךָ מַ֭אֲכָל לְ/ע֣וֹף הַ/שָּׁמָ֑יִם בְּשַׂ֥ר חֲ֝סִידֶ֗י/ךָ לְ/חַיְת/וֹ אָֽרֶץ
STATEN

Zij hebben de dode lichamen Uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees Uwer gunstgenoten aan het gedierte des lands.

3
שָׁפְכ֬וּ דָמָ֨/ם כַּ/מַּ֗יִם סְֽבִ֘יב֤וֹת יְֽרוּשָׁלִָ֗ם וְ/אֵ֣ין קוֹבֵֽר
STATEN

Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten; en er was niemand, die hen begroef.

4
הָיִ֣ינוּ חֶ֭רְפָּה לִ/שְׁכֵנֵ֑י/נוּ לַ֥עַג וָ֝/קֶ֗לֶס לִ/סְבִיבוֹתֵֽי/נוּ
STATEN

Wij zijn onzen naburen een smaadheid geworden; een spot en schimp dien, die rondom ons zijn.

5
עַד מָ֣ה יְ֭הוָה תֶּאֱנַ֣ף לָ/נֶ֑צַח תִּבְעַ֥ר כְּמוֹ אֵ֝֗שׁ קִנְאָתֶֽ/ךָ
STATEN

Hoe lang, HEERE? Zult Gij eeuwiglijk toornen? Zal Uw ijver als vuur branden?

6
שְׁפֹ֤ךְ חֲמָתְ/ךָ֨ אֶֽל הַ/גּוֹיִם֮ אֲשֶׁ֪ר לֹא יְדָ֫ע֥וּ/ךָ וְ/עַ֥ל מַמְלָכ֑וֹת אֲשֶׁ֥ר בְּ֝/שִׁמְ/ךָ֗ לֹ֣א קָרָֽאוּ
STATEN

Stort Uw grimmigheid uit over de heidenen, die U niet kennen, en over de koninkrijken, die Uw Naam niet aanroepen.

7
כִּ֭י אָכַ֣ל אֶֽת יַעֲקֹ֑ב וְֽ/אֶת נָוֵ֥/הוּ הֵשַֽׁמּוּ
STATEN

Want men heeft Jakob opgegeten, en zij hebben zijn liefelijke woning verwoest.

8
אַֽל תִּזְכָּר לָ/נוּ֮ עֲוֺנֹ֪ת רִאשֹׁ֫נִ֥ים מַ֭הֵר יְקַדְּמ֣וּ/נוּ רַחֲמֶ֑י/ךָ כִּ֖י דַלּ֣וֹנוּ מְאֹֽד
STATEN

Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast U, laat Uw barmhartigheden ons voorkomen; want wij zijn zeer dun geworden.

9
עָזְרֵ֤/נוּ אֱלֹ֘הֵ֤י יִשְׁעֵ֗/נוּ עַל דְּבַ֥ר כְּבֽוֹד שְׁמֶ֑/ךָ וְ/הַצִּילֵ֥/נוּ וְ/כַפֵּ֥ר עַל חַ֝טֹּאתֵ֗י/נוּ לְמַ֣עַן שְׁמֶֽ/ךָ
STATEN

Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.

10
לָ֤/מָּה יֹאמְר֣וּ הַ/גּוֹיִם֮ אַיֵּ֪ה אֱֽלֹהֵ֫י/הֶ֥ם יִוָּדַ֣ע ב/גיים לְ/עֵינֵ֑י/נוּ נִ֝קְמַ֗ת דַּֽם עֲבָדֶ֥י/ךָ הַ/שָּׁפֽוּךְ בַּ/גּוֹיִ֣ם
STATEN

Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat de wraak des vergoten bloeds Uwer knechten onder de heidenen voor onze ogen bekend worden.

11
תָּ֤ב֣וֹא לְ/פָנֶי/ךָ֮ אֶנְקַ֪ת אָ֫סִ֥יר כְּ/גֹ֥דֶל זְרוֹעֲ/ךָ֑ ה֝וֹתֵ֗ר בְּנֵ֣י תְמוּתָֽה
STATEN

Laat het gekerm der gevangenen voor Uw aanschijn komen; behoud overig de kinderen des doods, naar de grootheid Uws arms.

12
וְ/הָ֘שֵׁ֤ב לִ/שְׁכֵנֵ֣י/נוּ שִׁ֭בְעָתַיִם אֶל חֵיקָ֑/ם חֶרְפָּ֘תָ֤/ם אֲשֶׁ֖ר חֵרְפ֣וּ/ךָ אֲדֹנָֽ/י
STATEN

En geef onze naburen zevenvoudig weder in hun schoot hun smaad, waarmede zij U, o Heere! gesmaad hebben.

13
וַ/אֲנַ֤חְנוּ עַמְּ/ךָ֨ וְ/צֹ֥אן מַרְעִיתֶ/ךָ֮ נ֤וֹדֶ֥ה לְּ/ךָ֗ לְ/ע֫וֹלָ֥ם לְ/דֹ֥ר וָ/דֹ֑ר נְ֝סַפֵּ֗ר תְּהִלָּתֶֽ/ךָ
STATEN

Zo zullen wij, Uw volk en de schapen Uwer weide, U loven in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht; wij zullen Uw roem vertellen.