KETUVIM
Psalmen 81
תְּהִלִּים
Hoofdstukken (151)← → toetsen
Getuigen
לַ/מְנַצֵּ֬חַ עַֽל הַ/גִּתִּ֬ית לְ/אָסָֽף׀־׃
STATEN
Voor den opperzangmeester, op de Gittith, een psalm van Asaf.
הַ֭רְנִינוּ לֵ/אלֹהִ֣ים עוּזֵּ֑/נוּ הָ֝רִ֗יעוּ לֵ/אלֹהֵ֥י יַעֲקֹֽב׃
STATEN
Zingt vrolijk Gode, onze Sterkte; juicht den God van Jakob.
שְֽׂאוּ זִ֭מְרָה וּ/תְנוּ תֹ֑ף כִּנּ֖וֹר נָעִ֣ים עִם נָֽבֶל־־־׃
STATEN
Heft een psalm op, en geeft de trommel; de liefelijke harp met de luit.
תִּקְע֣וּ בַ/חֹ֣דֶשׁ שׁוֹפָ֑ר בַּ֝/כֵּ֗סֶה לְ/י֣וֹם חַגֵּֽ/נוּ׃
STATEN
Blaast de bazuin in de nieuwe maan, ter bestemder tijd, op onzen feestdag.
כִּ֤י חֹ֣ק לְ/יִשְׂרָאֵ֣ל ה֑וּא מִ֝שְׁפָּ֗ט לֵ/אלֹהֵ֥י יַעֲקֹֽב׃
STATEN
Want dit is een inzetting in Israël, een recht van den God Jakobs.
עֵ֤דוּת בִּֽ/יה֘וֹסֵ֤ף שָׂמ֗/וֹ בְּ֭/צֵאת/וֹ עַל אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם שְׂפַ֖ת לֹא יָדַ֣עְתִּי אֶשְׁמָֽע׀־־׃
STATEN
Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef, als Hij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb een spraak, die ik niet verstond;
הֲסִיר֣וֹתִי מִ/סֵּ֣בֶל שִׁכְמ֑/וֹ כַּ֝פָּ֗י/ו מִ/דּ֥וּד תַּעֲבֹֽרְנָה׃
STATEN
Ik heb zijn schouder van den last onttrokken; zijn handen zijn van de potten ontslagen.
בַּ/צָּרָ֥ה קָרָ֗אתָ וָ/אֲחַ֫לְּצֶ֥/ךָּ אֶ֭עֶנְ/ךָ בְּ/סֵ֣תֶר רַ֑עַם אֶבְחָֽנְ/ךָ֨ עַל מֵ֖י מְרִיבָ֣ה סֶֽלָה־׃
STATEN
In de benauwdheid riept gij, en Ik hielp u uit; Ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders; Ik beproefde u aan de wateren van Mériba. Sela.
שְׁמַ֣ע עַ֭מִּ/י וְ/אָעִ֣ידָה בָּ֑/ךְ יִ֝שְׂרָאֵ֗ל אִם תִּֽשְׁמַֽע לִֽ/י־־׃
STATEN
Mijn volk, zeide Ik, hoor toe, en Ik zal onder u betuigen, Israël, of gij naar Mij hoordet!
לֹֽא יִהְיֶ֣ה בְ֭/ךָ אֵ֣ל זָ֑ר וְ/לֹ֥א תִ֝שְׁתַּחֲוֶ֗ה לְ/אֵ֣ל נֵכָֽר־׃
STATEN
Er zal onder u geen uitlands god wezen, en gij zult u voor geen vreemden god nederbuigen.
אָנֹכִ֨י יְה֘וָ֤ה אֱלֹהֶ֗י/ךָ הַֽ֭/מַּעַלְ/ךָ מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם הַרְחֶב פִּ֝֗י/ךָ וַ/אֲמַלְאֵֽ/הוּ׀־׃
STATEN
Ik ben de HEERE, uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.
וְ/לֹא שָׁמַ֣ע עַמִּ֣/י לְ/קוֹלִ֑/י וְ֝/יִשְׂרָאֵ֗ל לֹא אָ֥בָה לִֽ/י־־׃
STATEN
Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israël heeft Mijner niet gewild.