KETUVIM

Psalmen 81

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֬חַ עַֽל הַ/גִּתִּ֬ית לְ/אָסָֽף
STATEN

Voor den opperzangmeester, op de Gittith, een psalm van Asaf.

2
הַ֭רְנִינוּ לֵ/אלֹהִ֣ים עוּזֵּ֑/נוּ הָ֝רִ֗יעוּ לֵ/אלֹהֵ֥י יַעֲקֹֽב
STATEN

Zingt vrolijk Gode, onze Sterkte; juicht den God van Jakob.

3
שְֽׂאוּ זִ֭מְרָה וּ/תְנוּ תֹ֑ף כִּנּ֖וֹר נָעִ֣ים עִם נָֽבֶל
STATEN

Heft een psalm op, en geeft de trommel; de liefelijke harp met de luit.

4
תִּקְע֣וּ בַ/חֹ֣דֶשׁ שׁוֹפָ֑ר בַּ֝/כֵּ֗סֶה לְ/י֣וֹם חַגֵּֽ/נוּ
STATEN

Blaast de bazuin in de nieuwe maan, ter bestemder tijd, op onzen feestdag.

5
כִּ֤י חֹ֣ק לְ/יִשְׂרָאֵ֣ל ה֑וּא מִ֝שְׁפָּ֗ט לֵ/אלֹהֵ֥י יַעֲקֹֽב
STATEN

Want dit is een inzetting in Israël, een recht van den God Jakobs.

6
עֵ֤דוּת בִּֽ/יה֘וֹסֵ֤ף שָׂמ֗/וֹ בְּ֭/צֵאת/וֹ עַל אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם שְׂפַ֖ת לֹא יָדַ֣עְתִּי אֶשְׁמָֽע
STATEN

Hij heeft het gezet tot een getuigenis in Jozef, als Hij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb een spraak, die ik niet verstond;

7
הֲסִיר֣וֹתִי מִ/סֵּ֣בֶל שִׁכְמ֑/וֹ כַּ֝פָּ֗י/ו מִ/דּ֥וּד תַּעֲבֹֽרְנָה
STATEN

Ik heb zijn schouder van den last onttrokken; zijn handen zijn van de potten ontslagen.

8
בַּ/צָּרָ֥ה קָרָ֗אתָ וָ/אֲחַ֫לְּצֶ֥/ךָּ אֶ֭עֶנְ/ךָ בְּ/סֵ֣תֶר רַ֑עַם אֶבְחָֽנְ/ךָ֨ עַל מֵ֖י מְרִיבָ֣ה סֶֽלָה
STATEN

In de benauwdheid riept gij, en Ik hielp u uit; Ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders; Ik beproefde u aan de wateren van Mériba. Sela.

9
שְׁמַ֣ע עַ֭מִּ/י וְ/אָעִ֣ידָה בָּ֑/ךְ יִ֝שְׂרָאֵ֗ל אִם תִּֽשְׁמַֽע לִֽ/י
STATEN

Mijn volk, zeide Ik, hoor toe, en Ik zal onder u betuigen, Israël, of gij naar Mij hoordet!

10
לֹֽא יִהְיֶ֣ה בְ֭/ךָ אֵ֣ל זָ֑ר וְ/לֹ֥א תִ֝שְׁתַּחֲוֶ֗ה לְ/אֵ֣ל נֵכָֽר
STATEN

Er zal onder u geen uitlands god wezen, en gij zult u voor geen vreemden god nederbuigen.

11
אָנֹכִ֨י יְה֘וָ֤ה אֱלֹהֶ֗י/ךָ הַֽ֭/מַּעַלְ/ךָ מֵ/אֶ֣רֶץ מִצְרָ֑יִם הַרְחֶב פִּ֝֗י/ךָ וַ/אֲמַלְאֵֽ/הוּ
STATEN

Ik ben de HEERE, uw God, Die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uw mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.

12
וְ/לֹא שָׁמַ֣ע עַמִּ֣/י לְ/קוֹלִ֑/י וְ֝/יִשְׂרָאֵ֗ל לֹא אָ֥בָה לִֽ/י
STATEN

Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israël heeft Mijner niet gewild.

13
וָֽ֭/אֲשַׁלְּחֵ/הוּ בִּ/שְׁרִיר֣וּת לִבָּ֑/ם יֵ֝לְכ֗וּ בְּֽ/מוֹעֲצוֹתֵי/הֶֽם
STATEN

Dies heb Ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hun raadslagen.

14
ל֗וּ עַ֭מִּ/י שֹׁמֵ֣עַֽ לִ֑/י יִ֝שְׂרָאֵ֗ל בִּ/דְרָכַ֥/י יְהַלֵּֽכוּ
STATEN

Och, dat Mijn volk naar Mij gehoord had, dat Israël in Mijn wegen gewandeld had!

15
כִּ֭/מְעַט אוֹיְבֵי/הֶ֣ם אַכְנִ֑יעַ וְ/עַ֥ל צָ֝רֵי/הֶ֗ם אָשִׁ֥יב יָדִֽ/י
STATEN

In kort zou Ik hun vijanden gedempt hebben, en Mijn hand gewend hebben tegen hun wederpartijders.

16
מְשַׂנְאֵ֣י יְ֭הוָה יְכַֽחֲשׁוּ ל֑/וֹ וִ/יהִ֖י עִתָּ֣/ם לְ/עוֹלָֽם
STATEN

Die den HEERE haten, zouden zich Hem geveinsdelijk onderworpen hebben, maar hunlieder tijd zou eeuwig geweest zijn.

17
וַֽ֭/יַּאֲכִילֵ/הוּ מֵ/חֵ֣לֶב חִטָּ֑ה וּ֝/מִ/צּ֗וּר דְּבַ֣שׁ אַשְׂבִּיעֶֽ/ךָ
STATEN

En Hij zou het gespijsd hebben met het vette der tarwe; ja, Ik zou u verzadigd hebben met honig uit de rotsstenen.