KETUVIM

Psalmen 83

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
שִׁ֖יר מִזְמ֣וֹר לְ/אָסָֽף
STATEN

Een lied, een psalm van Asaf.

2
אֱלֹהִ֥ים אַל דֳּמִי לָ֑/ךְ אַל תֶּחֱרַ֖שׁ וְ/אַל תִּשְׁקֹ֣ט אֵֽל
STATEN

O God! zwijg niet, houd U niet als doof, en zijt niet stil, o God!

3
כִּֽי הִנֵּ֣ה א֭וֹיְבֶי/ךָ יֶהֱמָי֑וּ/ן וּ֝/מְשַׂנְאֶ֗י/ךָ נָ֣שְׂאוּ רֹֽאשׁ
STATEN

Want zie, Uw vijanden maken getier, en Uw haters steken het hoofd op.

4
עַֽל עַ֭מְּ/ךָ יַעֲרִ֣ימוּ ס֑וֹד וְ֝/יִתְיָעֲצ֗וּ עַל צְפוּנֶֽי/ךָ
STATEN

Zij maken listiglijk een heimelijken aanslag tegen Uw volk, en beraadslagen zich tegen Uw verborgenen.

5
אָמְר֗וּ לְ֭כוּ וְ/נַכְחִידֵ֣/ם מִ/גּ֑וֹי וְ/לֹֽא יִזָּכֵ֖ר שֵֽׁם יִשְׂרָאֵ֣ל עֽוֹד
STATEN

Zij hebben gezegd: Komt, en laat ons hen uitroeien, dat zij geen volk meer zijn; dat aan den naam Israëls niet meer gedacht worde.

6
כִּ֤י נוֹעֲצ֣וּ לֵ֣ב יַחְדָּ֑ו עָ֝לֶ֗י/ךָ בְּרִ֣ית יִכְרֹֽתוּ
STATEN

Want zij hebben in het hart te zamen geraadslaagd; tegen U hebben zij een verbond gemaakt;

7
אָהֳלֵ֣י אֱ֭דוֹם וְ/יִשְׁמְעֵאלִ֗ים מוֹאָ֥ב וְ/הַגְרִֽים
STATEN

De tenten van Edom en der Ismaëlieten, Moab en de Hagarenen;

8
גְּבָ֣ל וְ֭/עַמּוֹן וַ/עֲמָלֵ֑ק פְּ֝לֶ֗שֶׁת עִם יֹ֥שְׁבֵי צֽוֹר
STATEN

Gebal, en Ammon, en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus.

9
גַּם אַ֭שּׁוּר נִלְוָ֣ה עִמָּ֑/ם הָ֤י֥וּ זְר֖וֹעַ לִ/בְנֵי ל֣וֹט סֶֽלָה
STATEN

Ook heeft zich Assur bij hen gevoegd; zij zijn den kinderen van Lot tot een arm geweest. Sela.

10
עֲשֵֽׂה לָ/הֶ֥ם כְּ/מִדְיָ֑ן כְּֽ/סִֽיסְרָ֥א כְ֝/יָבִ֗ין בְּ/נַ֣חַל קִישֽׁוֹן
STATEN

Doe hun als Midian, als Sísera, als Jabin aan de beek Kison;

11
נִשְׁמְד֥וּ בְֽ/עֵין דֹּ֑אר הָ֥יוּ דֹּ֝֗מֶן לָ/אֲדָמָֽה
STATEN

Die verdelgd zijn te Endor; zij zijn geworden tot drek der aarde.

12
שִׁיתֵ֣/מוֹ נְ֭דִיבֵ/מוֹ כְּ/עֹרֵ֣ב וְ/כִ/זְאֵ֑ב וּֽ/כְ/זֶ֥בַח וּ֝/כְ/צַלְמֻנָּ֗ע כָּל נְסִיכֵֽ/מוֹ
STATEN

Maak hen en hun prinsen als Oreb en als Zeëb, en al hun vorsten als Zebah en als Zalmûna;

13
אֲשֶׁ֣ר אָ֭מְרוּ נִ֣ירֲשָׁה לָּ֑/נוּ אֵ֝֗ת נְא֣וֹת אֱלֹהִֽים
STATEN

Die zeiden: Laat ons de schone woningen Gods voor ons in erfelijke bezitting nemen.

14
אֱֽלֹהַ֗/י שִׁיתֵ֥/מוֹ כַ/גַּלְגַּ֑ל כְּ֝/קַ֗שׁ לִ/פְנֵי רֽוּחַ
STATEN

Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.

15
כְּ/אֵ֥שׁ תִּבְעַר יָ֑עַר וּ֝/כְ/לֶהָבָ֗ה תְּלַהֵ֥ט הָרִֽים
STATEN

Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt;

16
כֵּ֭ן תִּרְדְּפֵ֣/ם בְּ/סַעֲרֶ֑/ךָ וּ/בְ/סוּפָתְ/ךָ֥ תְבַהֲלֵֽ/ם
STATEN

Vervolg hen alzo met Uw onweder, en verschrik hen met Uw draaiwind.

17
מַלֵּ֣א פְנֵי/הֶ֣ם קָל֑וֹן וִֽ/יבַקְשׁ֖וּ שִׁמְ/ךָ֣ יְהוָֽה
STATEN

Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o HEERE! Uw Naam zoeken.

18
יֵבֹ֖שׁוּ וְ/יִבָּהֲל֥וּ עֲדֵי עַ֗ד וְֽ/יַחְפְּר֥וּ וְ/יֹאבֵֽדוּ
STATEN

Laat hen beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat hen schaamrood worden, en omkomen;

19
וְֽ/יֵדְע֗וּ כִּֽי אַתָּ֬ה שִׁמְ/ךָ֣ יְהוָ֣ה לְ/בַדֶּ֑/ךָ עֶ֝לְי֗וֹן עַל כָּל הָ/אָֽרֶץ
STATEN

Opdat zij weten, dat Gij alleen met Uw Naam zijt de HEERE, de Allerhoogste over de ganse aarde.