KETUVIM

Psalmen 84

תְּהִלִּים
Hoofdstukken (150)
123456789101112131415161718192021222324252627282930313233343536373839404142434445464748495051525354555657585960616263646566676869707172737475767778798081828384858687888990919293949596979899100101102103104105106107108109110111112113114115116117118119120121122123124125126127128129130131132133134135136137138139140141142143144145146147148149150
Getuigen
Interlineair
1
לַ/מְנַצֵּ֥חַ עַֽל הַ/גִּתִּ֑ית לִ/בְנֵי קֹ֥רַח מִזְמֽוֹר
STATEN

Voor den opperzangmeester, op de Gittith; een psalm, voor de kinderen van Korach.

2
מַה יְּדִיד֥וֹת מִשְׁכְּנוֹתֶ֗י/ךָ יְהוָ֥ה צְבָאֽוֹת
STATEN

Hoe liefelijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!

3
נִכְסְפָ֬ה וְ/גַם כָּלְתָ֨ה נַפְשִׁ/י֮ לְ/חַצְר֪וֹת יְה֫וָ֥ה לִבִּ֥/י וּ/בְשָׂרִ֑/י יְ֝רַנְּנ֗וּ אֶ֣ל אֵֽל חָֽי
STATEN

Mijn ziel is begerig, en bezwijkt ook van verlangen, naar de voorhoven des HEEREN; mijn hart en mijn vlees roepen uit tot den levenden God.

4
גַּם צִפּ֨וֹר מָ֪צְאָה בַ֡יִת וּ/דְר֤וֹר קֵ֥ן לָ/הּ֮ אֲשֶׁר שָׁ֪תָה אֶפְרֹ֫חֶ֥י/הָ אֶֽת מִ֭זְבְּחוֹתֶי/ךָ יְהוָ֣ה צְבָא֑וֹת מַ֝לְכִּ֗/י וֵ/אלֹהָֽ/י
STATEN

Zelfs vindt de mus een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij haar jongen legt, bij Uw altaren, HEERE der heirscharen, mijn Koning, en mijn God!

5
אַ֭שְׁרֵי יוֹשְׁבֵ֣י בֵיתֶ֑/ךָ ע֝֗וֹד יְֽהַלְל֥וּ/ךָ סֶּֽלָה
STATEN

Welgelukzalig zijn zij, die in Uw huis wonen; zij prijzen U gestadiglijk. Sela.

6
אַשְׁרֵ֣י אָ֭דָם עֽוֹז ל֥/וֹ בָ֑/ךְ מְ֝סִלּ֗וֹת בִּ/לְבָבָֽ/ם
STATEN

Welgelukzalig is de mens, wiens sterkte in U is, in welker hart de gebaande wegen zijn.

7
עֹבְרֵ֤י בְּ/עֵ֣מֶק הַ֭/בָּכָא מַעְיָ֣ן יְשִׁית֑וּ/הוּ גַּם בְּ֝רָכ֗וֹת יַעְטֶ֥ה מוֹרֶֽה
STATEN

Als zij door het dal der moerbeziënbomen doorgaan, stellen zij Hem tot een fontein; ook zal de regen hen gans rijkelijk overdekken.

8
יֵ֭לְכוּ מֵ/חַ֣יִל אֶל חָ֑יִל יֵרָאֶ֖ה אֶל אֱלֹהִ֣ים בְּ/צִיּֽוֹן
STATEN

Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.

9
יְה֘וָ֤ה אֱלֹהִ֣ים צְ֭בָאוֹת שִׁמְעָ֣/ה תְפִלָּתִ֑/י הַאֲזִ֨ינָ/ה אֱלֹהֵ֖י יַעֲקֹ֣ב סֶֽלָה
STATEN

HEERE, God der heirscharen! hoor mijn gebed; neem het ter oren, o God van Jakob! Sela.

10
מָ֭גִנֵּ/נוּ רְאֵ֣ה אֱלֹהִ֑ים וְ֝/הַבֵּ֗ט פְּנֵ֣י מְשִׁיחֶֽ/ךָ
STATEN

O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht Uws gezalfden.

11
כִּ֤י טֽוֹב י֥וֹם בַּ/חֲצֵרֶ֗י/ךָ מֵ֫/אָ֥לֶף בָּחַ֗רְתִּי הִ֭סְתּוֹפֵף בְּ/בֵ֣ית אֱלֹהַ֑/י מִ֝/דּ֗וּר בְּ/אָהֳלֵי רֶֽשַׁע
STATEN

Want één dag in Uw voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het huis mijns Gods te wezen, dan lang te wonen in de tenten der goddeloosheid.

12
כִּ֤י שֶׁ֨מֶשׁ וּ/מָגֵן֮ יְהוָ֪ה אֱלֹ֫הִ֥ים חֵ֣ן וְ֭/כָבוֹד יִתֵּ֣ן יְהוָ֑ה לֹ֥א יִמְנַע ט֝֗וֹב לַֽ/הֹלְכִ֥ים בְּ/תָמִֽים
STATEN

Want God, de HEERE, is een Zon en Schild; de HEERE zal genade en eer geven; Hij zal het goede niet onthouden dengenen, die in oprechtheid wandelen.

13
יְהוָ֥ה צְבָא֑וֹת אַֽשְׁרֵ֥י אָ֝דָ֗ם בֹּטֵ֥חַ בָּֽ/ךְ
STATEN

HEERE der heirscharen! welgelukzalig is de mens, die op U vertrouwt.